ECLI:NL:RBDHA:2022:14703
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen intrekking verblijfsvergunning regulier bij partner
Eiseres, met de Surinaamse nationaliteit, had een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij haar partner (referent). Verweerder trok deze vergunning met terugwerkende kracht per 21 februari 2021 in, omdat de gezinsband met de referent was verbroken en eiseres niet langer op hetzelfde adres stond ingeschreven.
Eiseres maakte bezwaar tegen deze intrekking, maar dit werd ongegrond verklaard. In het daaropvolgende beroep stelde zij dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met haar persoonlijke omstandigheden, met name dat zij als minderjarige achter zou blijven. De rechtbank oordeelde echter dat eiseres meerderjarig is en dat zij geen individuele omstandigheden had aangevoerd die de intrekking konden weerleggen.
Verder voerde eiseres aan dat zij onterecht niet was gehoord in de bezwaarprocedure, ondanks ingediende bewijsstukken. De rechtbank stelde vast dat verweerder terecht van het horen had afgezien omdat de bezwaren niet tot een andere beslissing konden leiden en er geen bewijsstukken in het dossier waren.
De rechtbank concludeerde dat de motivering van verweerder voldoende was en dat het beroep ongegrond is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning regulier bij partner wordt ongegrond verklaard.