Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Pakistaanse nationaliteit, werd op 22 juli 2022 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat zijn staandehouding en ophouding onrechtmatig waren, mede vanwege medische omstandigheden en disproportionaliteit. De rechtbank oordeelde echter dat de staandehouding en ophouding rechtmatig waren, het tijdstip niet onredelijk vroeg was en er geen disproportionele medische problemen waren.
Eiser betwistte enkele zware gronden voor bewaring, waaronder het ontbreken van een geldig reisdocument bij binnenkomst. De rechtbank achtte deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd, waardoor de bewaring gerechtvaardigd bleef. Daarnaast stelde eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld bij zijn uitzetting, maar de rechtbank concludeerde dat de inspanningen, zoals het terug- en overnameverzoek aan Pakistaanse autoriteiten en vertrekgesprekken, voldoende waren.
Eiser voerde aan dat een lichter middel had moeten worden toegepast, gezien zijn verblijf in een asielzoekerscentrum en medische situatie. De rechtbank vond echter dat verweerder terecht niet volstond met een lichter middel, omdat eerdere maatregelen niet tot terugkeer hadden geleid en de medische zorg in detentie onvoldoende was onderbouwd als reden voor een lichter middel.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.