ECLI:NL:RBDHA:2022:14727
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning studie wegens niet-inschrijving erkende onderwijsinstelling
Eiser, van Bengalese nationaliteit, kreeg op 15 januari 2021 een verblijfsvergunning voor studie tot 15 januari 2026. Hij werd per 26 mei 2021 uitgeschreven bij de onderwijsinstelling, waardoor hij niet meer voldeed aan de voorwaarden van zijn vergunning. Verweerder trok de vergunning in en bleef bij dit besluit na bezwaar.
Eiser stelde dat de intrekking onterecht was, onder meer omdat verweerder geen toetsing aan artikel 8 EVRM Pro had verricht en het doel van de EU-richtlijn migratie voor studie stimuleert. De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was tot intrekking, dat het ontbreken van studie voortzetting geen bijzondere omstandigheid vormde en dat de toetsing aan artikel 8 EVRM Pro wel had moeten plaatsvinden in de bestuursfase.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens dit formele gebrek, vernietigde het besluit, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven omdat het beroep op artikel 8 EVRM Pro niet slaagt en de overige gronden onvoldoende zijn. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de intrekking van de verblijfsvergunning en de rechtsgevolgen blijven in stand.