ECLI:NL:RBDHA:2022:14785

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 september 2022
Publicatiedatum
19 januari 2023
Zaaknummer
NL22.2256
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar in aanvraag machtiging voorlopig verblijf

Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij een referent, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 15 april 2021 is afgewezen. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt, waarop de Staatssecretaris niet tijdig heeft beslist, waarna eisers op 10 februari 2022 beroep instelden bij de rechtbank vanwege deze termijnoverschrijding.

Op 3 juni 2022 verklaarde de Staatssecretaris het bezwaar ongegrond en legde een dwangsom op, maar trok dit besluit op 26 september 2022 weer in. Eisers zijn het oneens met het uitblijven van een nieuwe beslissing en hebben de rechtbank verzocht uitspraak te doen zonder zitting.

De rechtbank overweegt dat bij het intrekken van het besluit de beslistermijn al was verstreken, waardoor een ingebrekestelling niet nodig is. De rechtbank bepaalt dat de Staatssecretaris binnen acht weken een nieuw besluit moet nemen. Ondanks het verzoek om twaalf weken vanwege capaciteitsproblemen, acht de rechtbank acht weken voldoende gezien de reeds gemaakte belangenafweging en het ontbreken van een nieuw hoorgesprek.

Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €7.500 bij verdere overschrijding. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig genomen besluit, en veroordeelt de Staatssecretaris tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van eisers.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een termijn van acht weken op voor het nemen van een nieuw besluit met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.2256
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser 1] (vader), [eiseres 1] (moeder), [eiseres 2] (zus), [eiser 2] (broer), [eiser 3] (broer) en [eiser 4] (broer), eisers
V-nummers: [V-nummer] , [V-nummer] , [V-nummer] , [V-nummer] , [V-nummer] en
[V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. van der Lubbe).

Procesverloop

In het besluit van 15 april 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid bij de heer
[A] (referent) afgewezen. Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Eisers hebben op 10 februari 2022 beroep ingesteld bij de rechtbank, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op het bezwaar.
In het besluit van 3 juni 2022 heeft verweerder het bezwaar tegen het primair besluit ongegrond verklaard en heeft verweerder eisers een dwangsom toegekend van € 1.442,-.
Verweerder heeft op 26 september 2022 het besluit van 3 juni 2022 ingetrokken. Eisers hebben de rechtbank daarna laten weten dat verweerder niet opnieuw heeft beslist op het bezwaar en dat zij het daarmee niet eens zijn. Deze uitspraak gaat over het beroep dat zij hebben ingesteld omdat verweerder niet op tijd heeft beslist.
Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven uitspraak te doen zonder zitting.

Overwegingen

1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee
weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Toen verweerder het besluit van 3 juni 2022 introk, was de voor dat besluit geldende beslistermijn al voorbij. Een ingebrekestelling is dan niet nodig.
3. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven. Verweerder heeft uitgelegd dat hij
deze tijd nodig heeft, omdat door recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake de hoorplicht in bezwaar en de andere toets aan artikel 8 van Pro het EVRM, waarbij steeds een belangenafweging gemaakt dient te worden, sprake is van een groot aantal intrekkingen en gegrondverklaringen. Hierdoor kampt verweerder met capaciteitsproblemen. Verweerder verzoekt daarom om een termijn van twaalf weken.
4. De rechtbank vindt dat een goede reden om een langere termijn te geven om een besluit te nemen, maar zal deze termijn vaststellen op acht weken. De rechtbank legt hieraan ten grondslag dat er in bezwaar al een gehoor over het gezinsleven heeft plaatsgevonden en verweerder heeft niet aangegeven dat een nieuw gehoor nodig is. Zoals het er nu naar
uitziet, dient verweerder dus slechts een nieuw besluit te nemen. Hierbij is tevens van belang, zoals eisers hebben aangegeven, dat er in het ingetrokken besluit al een belangenafweging is gemaakt met betrekking tot de ouders van referent. Een termijn van acht weken voor het nemen van een nieuw besluit is volgens de rechtbank dan ook voldoende.
5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-.
6. Het beroep is gegrond. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.
7. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 759,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
  • bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag
waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eisers te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 september 2022

Documentcode: [documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.