ECLI:NL:RBDHA:2022:14803
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs en onvoldoende sociale binding
Eiseres heeft op 30 september 2021 een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf om bij haar partner te verblijven. De minister van Buitenlandse Zaken heeft deze aanvraag op 13 oktober 2021 afgewezen omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet aannemelijk had gemaakt. Tevens was er twijfel over de verblijfsduur en onvoldoende sociale en economische binding met Marokko.
Tijdens de bezwaarprocedure werd het bezwaar van eiseres op 21 februari 2022 kennelijk ongegrond verklaard. Eiseres stelde dat het besluit onzorgvuldig tot stand was gekomen en dat zij niet wist welke bewijsstukken zij moest overleggen. Ook voerde zij aan dat de tegenstrijdige verklaringen over de verblijfsduur geen reden waren voor afwijzing en dat zij wel sociale binding met Marokko had.
De rechtbank oordeelde dat het aan eiseres was om haar aanvraag met objectieve bewijsstukken te onderbouwen en dat verweerder niet onzorgvuldig had gehandeld. De tegenstrijdige informatie over de verblijfsduur en het ontbreken van bewijs voor de relatie met de referent waren terecht meegewogen. Ook was onvoldoende aangetoond dat eiseres voldoende sociale binding had met Marokko om tijdige terugkeer te waarborgen.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.