ECLI:NL:RBDHA:2022:14873
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening visumaanvraag kort verblijf wegens twijfel gezinsbanden en terugkeerintentie
Verzoeker, een Tunesische politieman, vroeg een visum voor kort verblijf aan om zijn zwangere echtgenote te bezoeken rond de bevalling van hun eerste kind. Verweerder wees het visum af wegens onvoldoende bewijs van het doel en de omstandigheden van het verblijf, onvoldoende middelen van bestaan en twijfels over de terugkeer.
Verzoeker stelde dat hij voldoende bewijs had geleverd met een verklaring van de verloskundige en zijn werkverlof, en dat hij voldoende middelen had. Hij voerde ook aan dat verweerder onvoldoende gewicht had toegekend aan zijn recht op familieleven en het belang van het ongeboren kind.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de voorlopige voorziening feitelijk een definitief karakter zou krijgen, wat alleen bij zwaarwegend spoedeisend belang gerechtvaardigd is. Er waren geen klemmende humanitaire redenen of twijfel aan de rechtmatigheid van het primaire besluit. Bovendien was de gezinsband onvoldoende aangetoond, mede omdat het huwelijk niet in de Basisregistratie Personen stond geregistreerd en verzoeker als ongehuwd werd beschouwd.
Daarom kon het recht op gezinsleven niet worden betrokken bij de beoordeling en kon het verzoek om voorlopige voorziening niet worden toegewezen. Het verzoek werd afgewezen en verweerder hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen vanwege onvoldoende bewijs van gezinsbanden en twijfel over terugkeerintentie.