ECLI:NL:RBDHA:2022:1490

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2022
Publicatiedatum
25 februari 2022
Zaaknummer
AWB 21/198
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening afgewezen na ongegrondverklaring beroep verblijfsdocument

Verzoeker, een Turkse burger, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Deze aanvraag werd bij een besluit van 31 juli 2020 afgewezen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd op 16 december 2020 ongegrond verklaard.

Tegen dit bestreden besluit stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag. Gelijktijdig verzocht hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van artikel 8:83 lid 3 Awb Pro een uitspraak zonder zitting kan worden gedaan en dat een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dit vereist.

De rechtbank had op dezelfde dag het beroep van verzoeker ongegrond verklaard, waardoor er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer was. Hierdoor werd het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J.J.P. Bosman en griffier R.W. Craanen op 25 februari 2022.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep reeds ongegrond is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/198

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 februari 2022 in de zaak tussen

[verzoeker], uit Turkije, verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Erik),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2020 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot afgifte van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9 van Pro de Vw, [1] waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 16 december 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.
2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Bij uitspraak van vandaag [3] heeft de rechtbank het hiervoor genoemde door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaar- dan wel beroepsprocedure meer loopt, zodat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Beslissing

4. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.W. Craanen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Algemene wet bestuursrecht
3.Zaaknummer AWB 21/197.