ECLI:NL:RBDHA:2022:14998

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 oktober 2022
Publicatiedatum
27 januari 2023
Zaaknummer
NL22.2056
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding wegens te late beslissing op asielaanvraag

Verzoeker diende op 29 juli 2020 een opvolgende asielaanvraag in. Na het niet tijdig beslissen op deze aanvraag stelde verzoeker op 3 augustus 2021 beroep in. De rechtbank oordeelde op 21 november 2021 dat verweerder binnen acht weken moest beslissen, maar verweerder nam pas op 5 maart 2022 een besluit, wat te laat was.

Verzoeker trok daarop zijn beroep in en verzocht de rechtbank de proceskosten aan hem toe te kennen. Verweerder stelde dat het beroep prematuur was vanwege een besluitmoratorium en dat hij geen proceskosten hoefde te vergoeden. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder niet in verzet was gegaan tegen de eerdere uitspraak, waardoor deze in rechte vaststond en de beslistermijn niet mocht worden verlengd.

De rechtbank veroordeelde verweerder daarom tot vergoeding van de door verzoeker gemaakte proceskosten van €379,50, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door rechter B. Fijnheer op 13 oktober 2022.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten wegens te late beslissing op de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.2056
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S.B. Kleerekooper),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Op 8 februari 2022 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Bij besluit van 5 maart 2022 heeft verweerder aan verzoeker een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend.
Verzoeker heeft vervolgens zijn beroep ingetrokken en heeft de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij geen aanleiding ziet om de proceskosten te vergoeden.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Wat is er aan deze procedure voorafgegaan?
2. Op 29 juli 2020 heeft verzoeker een opvolgende asielaanvraag ingediend. Op 3 augustus 2021 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Op 23 september 2021 heeft verweerder verzoeker en de rechtbank geïnformeerd over het besluitmoratorium voor asielaanvragen van mensen uit Afghanistan. Verweerder heeft hierbij ook laten weten dat de beslistermijn van verzoekers asielaanvraag is verlengd tot 21 maanden. Vervolgens heeft deze rechtbank op 30 november 2021
uitspraak1 over het beroep dat verzoeker heeft ingediend omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn asielaanvraag. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder in ieder geval binnen acht weken na de uitspraak een beslissing moet nemen op de aanvraag van verzoeker. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 25 januari 2022 een besluit had moeten nemen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend. Omdat deze beslissing is uitgebleven, heeft verzoeker op 8 februari 2022 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet- tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Deze (huidige) procedure is verlopen zoals weergeven onder het kopje ‘Procesverloop’.
Standpunten van partijen
3. Verweerder ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding, omdat het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk is. Het beroep is namelijk prematuur. Weliswaar heeft de rechtbank in de uitspraak van 21 november 2021 geoordeeld dat verweerder in ieder geval binnen acht weken moest beslissen op de asielaanvraag van verzoeker, maar door het besluitmoratorium van 26 augustus 2021 is de beslistermijn in de zaak van verzoeker opgeschort. Gelet daarop had verweerder had uiterlijk op 2 april 2022 moeten beslissen op de asielaanvraag van verzoeker.
4. Verzoeker is het daar niet mee eens en voert aan dat verweerder de uitspraak van de rechtbank van 21 november niet respecteert. Als verweerder het niet eens is met die uitspraak, had verweerder in verzet moeten gaan.
Oordeel van de rechtbank
5. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
6. De uitspraak van de rechtbank van 21 november 2021 ligt na het besluitmoratorium van 26 augustus 2021. In deze uitspraak heeft de rechtbank verweerder opgedragen om binnen acht weken te beslissen op de asielaanvraag van verzoeker. In de uitspraak heeft de rechtbank het besluitmoratorium en de daaraan verbonden termijn verder niet genoemd. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet in verzet is gedaan tegen de uitspraak van
21 november 2021 wat betekent dat die uitspraak in rechte vaststaat en dat verweerder binnen acht weken na de uitspraak had moeten beslissen op de asielaanvraag van verzoeker. Dit is niet gebeurd. Verweerder heeft namelijk pas op 5 maart 2022 een besluit genomen.
7. Verzoeker heeft gelet op het voorgaande recht op een vergoeding van de proceskosten. Het besluit van 5 maart 2022 is immers te laat genomen en daarom is het beroep van 8 februari 2022 tegen het niet tijdig nemen van een besluit terecht ingesteld door verzoeker.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 379,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1/2).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 379,50,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 oktober 2022

Documentcode: [documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.