ECLI:NL:RBDHA:2022:15012

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 september 2022
Publicatiedatum
27 januari 2023
Zaaknummer
NL22.15657 en NL22.15658
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 3 EVRMArt. 3 AntifolterverdragArt. 4 Handvest grondrechten EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen, omdat Italië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

Eiser stelde dat mishandeling door Italiaanse politieagenten van anderen die vingerafdrukken weigerden, het interstatelijk vertrouwensbeginsel ondermijnt en dat verweerder bewijsnood heeft. De rechtbank oordeelt dat eiser deze mishandeling niet aannemelijk heeft gemaakt en dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat Italië haar internationale verplichtingen schendt.

De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, die bevestigen dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië geldt. Ook is geen sprake van bijzondere omstandigheden die toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening rechtvaardigen.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL22.15657 en NL22.15658
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. B. de Haan), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. I. Vugs).

Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL22.15658, op 13 september 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is niet op zitting verschenen, terwijl hij met zijn gemachtigde afgesproken had daar wel te willen verschijnen. Zijn gemachtigde heeft daarom verzocht de behandeling te schorsen en op een andere datum voort te zetten. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen omdat de reden waarom eiser niet is verschenen onduidelijk is gebleven. Daarnaast verloopt de overdrachtstermijn op 29 september 2022, zodat de Dublinprocedure niet alleen in het algemeen maar ook in dit geval een voortvarende behandeling vraagt.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft
Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
3. Eiser heeft verklaard dat hij gezien heeft dat twee personen, die voor hem in de rij stonden, door de Italiaanse politie zijn mishandeld omdat zij niet vrijwillig hun vingerafdrukken wilden geven. Hij voert aan dat, als vast komt te staan dat de Italiaanse autoriteiten deze personen hebben mishandeld, niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarnaast heeft verweerder niet onderkend dat hij op dit punt in bewijsnood verkeert. Verweerder heeft dit verder niet gemotiveerd. Ook voert eiser aan dat hij niet kan klagen in Italië, omdat van een land dat mensen behandelt op een wijze zoals door eiser beschreven, op voorhand reeds geen zorgvuldige klachtprocedure mag worden verwacht. In het bestreden besluit wordt door verweerder verwezen naar jurisprudentie, maar de concrete vindplaatsen of namen van uitspraken waarop verweerder zich baseert worden niet genoemd.
4. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder ervan uitgaan dat de Italië de verplichtingen uit artikel 3 van Pro het EVRM1, artikel 3 van Pro het Antifolterverdrag2 en artikel 4 van Pro het Handvest3 naleeft, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat Italië deze internationale verplichtingen niet nakomt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in de uitspraken van onder meer 26 november 20214, 6 januari 20225 en 26 juni 20226 bevestigd dat ten aanzien van Italië uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verder heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de arresten M.T. tegen Nederland7 en A.B. tegen Finland8 geoordeeld dat Dublinclaimanten in Italië in het asielsysteem worden opgenomen en recht hebben op opvang. Het EHRM heeft hierbij alle op dat moment beschikbare relevante informatie gebruikt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er in de situatie van eiser niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. De verklaring van eiser dat hij gezien heeft dat twee personen door politieagenten mishandeld zijn, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt aan de hand van algemene documenten of rapporten dat mishandeling door de politie van illegale immigranten of asielzoekers zodanig is dat niet langer van het interstatelijke vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De enkele verklaring van eiser dat hij getuige is geweest van mishandeling is onvoldoende om aan te nemen dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de situatie in Italië anders is dan de situatie waarop bovengenoemde uitspraken van de ABRvS zijn gebaseerd. Als eiser in onzekerheid komt te
1. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2 Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing, New York, 10-12-1984.
3 het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
7 M.T. t. Nederland van het EHRM van 23 maart 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0323DEC004659519.
8 A.B. t. Finland van het EHRM van 27 mei 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0402DEC004110019.
verkeren over de asielprocedure of opvangvoorzieningen in Italië, kan en dient hij zijn beklag daarover te doen bij de Italiaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. De motivering in het bestreden besluit, “
Uit vaste
jurisprudentie volgt dat betrokkene hierover kan klagen bij de autoriteiten van Italië.”, is op dit punt toereikend omdat eisers gemachtigde verondersteld wordt op de hoogte te zijn van die vaste jurisprudentie. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 Dublinverordening Pro
6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening, gelet op wat eiser heeft aangevoerd.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de omstandigheden van eiser geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening door de asielaanvraag in behandeling te nemen. Er is niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan de Italiaanse autoriteiten van onevenredige hardheid getuigt. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr.
M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
21 september 2022
en is openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
Mr. J.J. Catsburg M.A.W.M. Engels
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.