ECLI:NL:RBDHA:2022:15014

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 september 2022
Publicatiedatum
27 januari 2023
Zaaknummer
NL22.15936
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwVerordening (EU) nr. 604/2013Art. 17 DublinverordeningVreemdelingenwet 2000Vluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en minderjarigheid

De zaak betreft een beroep van eiser tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat op grond van de Dublinverordening Italië verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser stelt dat hij minderjarig is en vreest dat Italië hem geen adequate opvang zal bieden, mede vanwege zijn psychische klachten en zwakke gezondheid.

De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt tussen Nederland en Italië, waarbij Nederland mag uitgaan van een zorgvuldige registratie en adequate opvang in Italië. Eiser slaagt er niet in aannemelijk te maken dat de geboortedatum onjuist is of dat de situatie in Italië zodanig is dat het vertrouwensbeginsel niet meer geldt. De door eiser overgelegde documenten zijn onvoldoende betrouwbaar bevonden.

Ook de vrees van eiser voor indirect refoulement wordt niet gegrond verklaard, aangezien de rechtbank ervan uitgaat dat Italië zich houdt aan internationale verdragen. De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden van eiser niet zodanig bijzonder zijn dat toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening vereist is. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.15936
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H.L.M. Janssen),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Jalouqa).
Procesverloop
Bij besluit van 16 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 13 september 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.W.F. Menick, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S.B Aniania. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, I. Vugs.
De zaak is aangehouden, omdat ter zitting nieuwe stukken naar voren zijn gebracht ter onderbouwing van de gestelde minderjarigheid van eiser.
Verweerder heeft op 15 september 2022 een verweerschrift ingediend met het resultaat van het onderzoek van Bureau Documenten.
De rechtbank heeft het beroep op 20 september 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. E. Stap, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen B. Petros Gebreyesus. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
2. Eiser vreest dat Italië hem geen adequate opvang zal verschaffen en hij vreest dakloos te worden. Hij verwijst hierbij naar het AIDA rapport van 22 mei 2022, Update 2021 en het SFH rapport van februari 2022. In dat laatste rapport wordt de regering van Zwitserland opgeroepen om te stoppen met het terugsturen van migranten met psychische problemen naar Italië. Eiser heeft een zwakke gezondheid en hij heeft psychische klachten doordat hij op straat heeft moeten leven. Hij stelt dat hij als kwetsbaar dient te worden aangemerkt. Daarnaast had de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht (FMMU) hem moeten onderzoeken voordat het overdrachtsbesluit genomen werd. Eiser verwijst hierbij naar het arrest-C.K.1
3. De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) recentelijk nog bevestigd in de uitspraken van 4 mei 20222, 24 juni 20223 en 26 augustus 20224. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden.
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarin niet is geslaagd. Het AIDA landenrapport van 22 mei 2022, is bij de laatst genoemde uitspraak van de ABRvS betrokken. Dat geeft geen wezenlijk ander beeld over de situatie in Italië dan de informatie die daarvoor was betrokken. Het SFH rapport van februari 2022 en het SFH bericht waar eiser naar verwijst zien ook op de situatie van vóór de uitspraken van de ABRvS. Daarnaast is de oproep van de Swiss Refugee Council gericht op mensen met psychische klachten. Eiser heeft zijn gestelde psychische klachten niet met stukken onderbouwd. Dat geldt ook voor zijn gestelde medische klachten. Verweerder was dan ook niet gehouden om een medisch onderzoek bij het FMMU op te starten.
5. Uit deze rapporten en berichten blijkt niet dat niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Eiser heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat de situatie in Italië anders ligt dan de feitelijke situatie waarop bovengenoemde uitspraken van de ABRvS zijn gebaseerd. Als eiser toch in onzekerheid komt te verkeren over de asielprocedure of opvangvoorzieningen in Italië, kan en dient hij zijn beklag daarover te doen bij de Italiaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
Gestelde minderjarigheid

1.ECLI:EU:C:2017:127.

6. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat verweerder er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel van uit mag gaan dat de registratie van de geboortedatum in een andere lidstaat zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Het is dan ook aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat de geregistreerde geboortedatum onjuist is. Dit volgt uit de uitspraken van de ABRvS van 9 augustus 20175 en 15 augustus 20176 dat verweerder er gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit mag gaan dat de registratie van de geboortedatum zorgvuldig heeft plaatsgevonden, zodat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat de geregistreerde geboortedatum in Italië onjuist is. Hierin is eiser niet geslaagd. De rechtbank zal in de volgende rechtsoverweging uitleggen waarom dat zo is.
7. Ter onderbouwing van zijn gestelde minderjarigheid heeft eiser een schoolrapport, jaar 2018-2019 en afgegeven te [plaats] , en een geboorteakte, gedateerd 25 april 2022 en ook afgegeven te [plaats] , overgelegd. Verweerder heeft deze documenten laten onderzoeken door Bureau Documenten. Dat bureau heeft wat de geboorteakte betreft geconcludeerd dat, gelet op het ontbreken van voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal, over de echtheid en de opmaak en afgifte van dit document geen uitspraak kan worden gedaan. Verweerder heeft ter zitting opgemerkt dat op de akte het registratienummer ontbreekt en dat er diverse spelfouten in staan. Volgens verweerder kan aan dit document weinig waarde worden gehecht. Over het schoolrapport heeft Bureau Documenten vastgesteld dat de opmaak en afgifte wijkt af van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat het document zeer wel mogelijk niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. Verweerder heeft hieraan toegevoegd dat aan een schoolrapport sowieso weinig waarde kan worden gehecht omdat het geen identificerend document is. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser met de overlegde documenten en met wat hij overigens heeft verklaard niet aannemelijk heeft gemaakt dat de geregistreerde geboortedatum onjuist is. De beroepsgrond slaagt niet.
Indirect refoulement
8. Eiser vreest vanuit Italië naar Eritrea te worden teruggestuurd.
9. De rechtbank overweegt als volgt. Gezien het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan verweerder er vanuit gaan dat de Italiaanse autoriteiten zich zullen houden aan het principe van non-refoulement, zoals is neergelegd in het Vluchtelingenverdrag of het EVRM7. De enkele stelling van eiser dat hij vreest voor (indirect) refoulement in Italië is onvoldoende om niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 Dublinverordening Pro
10. Terugzending naar Italië zou in het geval van eiser van onevenredige hardheid zijn. Men kan op dit ogenblik geen interstatelijk vertrouwen hebben in Italië. In Italië is er nog steeds sprake van ernstige structurele tekortkomingen in zowel de asielprocedure als de opvangvoorzieningen. Verweerder dient de asielaanvraag van eiser daarom aan zich te trekken.

5.ECLI:NL:RVS:2017:2159.

7 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de omstandigheden van eiser geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening door de asielaanvraag in behandeling te nemen. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd, zijn gestelde psychische en medische problemen, zijn niet zo bijzonder en individueel dat verweerder een uitzondering had moeten maken en eisers asielverzoek in behandeling had moeten nemen. De rechtbank volgt verweerder dan ook dat niet gebleken is van omstandigheden die zodanig zijn dat overdracht in dit geval van onevenredige hardheid zou getuigen. De beroepsgrond slaagt niet.
12. Het beroep is ongegrond.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, rechter, in aanwezigheid van mr.
M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
27 september 2022
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.