Verzoeker heeft een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet-ontvankelijk werd verklaard omdat geen nieuwe relevante elementen waren aangevoerd. Verzoeker stelde beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening vanwege een voorgenomen uitzetting op 7 december 2022.
De voorzieningenrechter overwoog dat het belang van verzoeker om bij de behandeling van zijn beroep aanwezig te zijn zwaarder weegt dan het belang van de staatssecretaris om verzoeker vóór de zitting over te dragen aan Italië. Gezien de korte termijn waarop het beroep wordt behandeld en het ontbreken van een gemotiveerd belang van de staatssecretaris om de overdracht te versnellen, werd het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk gegrond toegewezen.
De uitzetting werd geschorst totdat op het beroep is beslist, met een termijn van maximaal één week na de uitspraak. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 759,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.