ECLI:NL:RBDHA:2022:15088
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet geldt vanwege systeemfouten in Duitsland, een lange wachttijd van zes jaar en het ontbreken van opvang, wat zou leiden tot indirect réfoulement.
De rechtbank overweegt dat Nederland in het algemeen mag vertrouwen op de verantwoordelijkheid van Duitsland en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit in zijn geval niet zou gelden. Eiser heeft geen bewijs geleverd van systematische gebreken in het Duitse asiel- en opvangsysteem en geen documenten over zijn procedure om zijn lange wachttijd te onderbouwen.
Verder concludeert de rechtbank dat de garantie van Duitsland om de aanvraag in behandeling te nemen ook het verbod op indirect réfoulement omvat. De omstandigheden van eiser, zoals angst en slechte slaap door de lange onzekerheid, zijn niet uitzonderlijk genoeg om een uitzondering op de Dublinverordening te rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.