ECLI:NL:RBDHA:2022:15124
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning partner Turkse onderdaan wegens beëindiging huwelijk en niet voldoen aan legale arbeidseis
Eiseres, een Turkse onderdaan, kreeg per 9 juni 2020 een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij haar toenmalige echtgenoot. Na de feitelijke verbreking van de relatie op 1 maart 2021 en de ontbinding van het huwelijk op 10 januari 2022, trok de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid haar verblijfsvergunning in en legde een terugkeerbesluit op.
Eiseres voerde aan dat zij rechten kon ontlenen aan artikel 6 van Pro het Besluit 1/80, omdat zij te goeder trouw was over haar legale arbeid en verweerder het gelijkheidsbeginsel schond door in een vergelijkbare zaak anders te beslissen. Tevens stelde zij dat verweerder ambtshalve had moeten toetsen op een verblijfsvergunning op grond van een zoekjaar en dat de hoorplicht was geschonden.
De rechtbank oordeelde dat eiseres niet voldeed aan de vereiste van één jaar legale arbeid bij dezelfde werkgever ten tijde van de intrekking en dat de wisseling van werkgever niet relevant was. Het gelijkheidsbeginsel werd niet aangenomen omdat de vergelijkbare zaak wezenlijk verschilde. Ambtshalve toetsing op het zoekjaar was niet verplicht en zou niet tot een andere uitkomst leiden. De hoorplicht was niet geschonden omdat geen nieuwe informatie was ingebracht in bezwaar.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Verweerder hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.