ECLI:NL:RBDHA:2022:15136
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen toegangsweigering op grond van middelenvereiste Schengengrenscode
Verzoekster, met de Ghanese nationaliteit, werd op 1 november 2021 de toegang tot Nederland geweigerd door de Koninklijke Marechaussee (KMar). Tevens werd haar Schengenvisum ingetrokken en een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Verzoekster stelde dat het administratief beroep tegen deze besluiten redelijke kans van slagen had, omdat de KMar ten onrechte het middelenvereiste aan haar stelde.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster spoedeisend belang had vanwege een dreigende uitzetting binnen 48 uur en verklaarde het verzoek ontvankelijk. Echter, de rechter stelde vast dat verzoekster niet voldeed aan het geldende middelenvereiste van minimaal 100 euro per persoon per dag, met een minimum van 900 euro, zoals bepaald in artikel 6, lid 4 van de Schengengrenscode. Verzoekster beschikte slechts over 400 euro contant, terwijl zij en haar partner gezamenlijk ook niet aan het vereiste van 1800 euro voldeden.
De overgelegde creditcard werd niet als geldig betaalmiddel erkend omdat deze niet op naam stond en niet was getekend. Omdat de toegangsvoorwaarden cumulatief zijn, had het administratief beroep geen redelijke kans van slagen. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en hoefde verweerder geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de toegangsweigering wegens niet voldoen aan het middelenvereiste wordt afgewezen.