Eiser, een vreemdeling van Tunesische nationaliteit, stelde beroep in tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest en of eiser recht had op schadevergoeding.
Eiser voerde aan dat hij onrechtmatig werd opgehouden omdat onduidelijk was hoe hij in de spreekkamer was gekomen en dat hij niet wist van zijn vertrekplicht. Verweerder stelde dat eiser uitgenodigd was voor een gesprek en pas in de spreekkamer staande werd gehouden op grond van artikel 50a van de Vreemdelingenwet, wat de juiste grondslag vormde.
De rechtbank oordeelde dat er geen aanwijzingen waren dat eiser onder dwang was gebracht en dat het aan eiser was om zijn vertrek te regelen. De gronden voor bewaring, waaronder het ontbreken van een geldig paspoort en het niet opvolgen van vertrekplicht, waren feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. De rechtbank verwierp het beroep en wees het verzoek om schadevergoeding af.
De rechtbank benadrukte dat eiser zich niet aan zijn meldplicht had gehouden en dat het risico en de gevolgen daarvan voor zijn rekening kwamen. Ook de verwijzing naar overlastgevende gedragingen werd meegewogen in de belangenafweging, maar was niet beslissend. Het beroep werd ongegrond verklaard en de schadevergoeding geweigerd.