Verzoekster, een gemeenschapsonderdaan, kreeg bij besluit van 2 september 2021 te horen dat haar verblijfsrecht was beëindigd. Hiertegen maakte zij bezwaar, dat bij besluit van 2 februari 2022 ongegrond werd verklaard. Verzoekster stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening. Inmiddels trok verweerder het bestreden besluit op 4 februari 2022 in en bood aan proceskosten en griffierecht te vergoeden.
De voorzieningenrechter stelde vast dat door intrekking van het besluit het bezwaar opnieuw moet worden beoordeeld en verzoekster haar bezwaar in Nederland mag afwachten. Hierdoor was geen grond meer voor een voorlopige voorziening en werd het verzoek afgewezen.
Wel werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ad €759,- en het griffierecht ad €184,-, conform het aanbod van verweerder. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter L.A. Banga en griffier M. van Ettikhoven op 25 november 2022. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.