ECLI:NL:RBDHA:2022:15245

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 oktober 2022
Publicatiedatum
10 februari 2023
Zaaknummer
NL22.19121
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening met Italië

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. Dit besluit is gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en de Dublinverordening (EU) nr. 604/2013, die bepaalt dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Nederland heeft Italië verzocht de asielaanvraag over te nemen, en Italië heeft dit verzoek aanvaard.

Eiser betoogt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië niet meer geldt vanwege wetswijzigingen in Italië in 2020 en de problematische situatie voor Dublin-terugkeerders. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin het vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië is bevestigd, en stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval hiervan moet worden afgeweken.

De rechtbank weegt mee dat rapporten van SFH/OSAR uit 2019 en 2021, die de situatie na het wetsdecreet 130/2020 beschrijven, zijn meegewogen in eerdere uitspraken en geen aanleiding geven het vertrouwensbeginsel te verwerpen. Italië garandeert met het claimakkoord de behandeling van het asielverzoek conform Europese richtlijnen. Eiser kan bij problemen terecht bij Italiaanse autoriteiten, ondanks zijn eerdere mishandeling daar. Het beroep wordt ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.19121
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.H. Bokhorst), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: L.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL22.19122, op 18 oktober 2022 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.
2. Eiser voert aan dat ten aanzien van Italië niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Verweerder geeft aan dat uit de aangehaalde rapporten geen wezenlijk ander beeld blijkt dan reeds is beoordeeld. Als het beeld niet is gewijzigd moeten bij het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië juist vraagtekens worden geplaatst, vanwege de wetswijzigingen in Italië in 2020. Deze zouden een verbetering moeten laten zien, maar de situatie voor Dublin-terugkeerders is niet
veranderd. Eiser verwijst naar het rapport van SFH/OSAR van mei 2019, waaruit blijkt dat er niets is veranderd na het wetsdecreet 130/2020. Ook verwijst eiser naar het rapport van SFH/OSAR van juni 2021, waaruit blijkt dat voor Dublin-terugkeerders een groot risico bestaat dat zij hun recht op onderdak hebben verloren. Daarnaast kan van eiser niet gevergd worden dat hij bij problemen moet klagen bij de Italiaanse autoriteiten, omdat hij door deze autoriteiten is geslagen en mishandeld.
3. De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft dit bevestigd in de uitspraken van onder meer 26 november 20211, 6 januari 20222, en 26 augustus 20223. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Eiser is daarin niet geslaagd.
4. De rapporten van SFH/OSAR van mei 2019 en juni 2021, die onder andere gaan over de situatie na het wetsdecreet 130/2020, zijn meegewogen in bovengenoemde uitspraken van de ABRvS. Aan de hand van deze rapporten is niet gebleken dat ten aanzien van Italië niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Eiser heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat de situatie in Italië anders ligt dan de feitelijke situatie waarop de uitspraken van de ABRvS zijn gebaseerd. Daarnaast garandeert Italië met het claimakkoord om het asielverzoek van eiser in behandeling te nemen en daarbij de Europese richtlijnen op het gebied van asiel toe te passen. Als eiser toch problemen ervaart bij het verkrijgen van toegang tot de asielprocedure of opvangvoorzieningen in Italië, kan en dient hij daarover zijn beklag te doen bij de daartoe geëigende instanties, dan wel bij de (hogere) Italiaanse autoriteiten. Dat hij eerder in Italië is geslagen en mishandeld, betekent (zonder aan de ernst van een dergelijk voorval af te willen doen) niet dat klagen voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 oktober 2022

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.