ECLI:NL:RBDHA:2022:15248

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 oktober 2022
Publicatiedatum
10 februari 2023
Zaaknummer
NL22.18889
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank overweegt dat Nederland op grond van de Dublinverordening en het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan van de verantwoordelijkheid van Italië. Eiseres stelde dat dit vertrouwensbeginsel niet meer geldt vanwege gestructureerde tekortkomingen in de asielprocedure en opvang in Italië, onderbouwd met het AIDA-rapport van mei 2022.

De rechtbank volgt deze stelling niet en verwijst naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin is bevestigd dat het vertrouwensbeginsel ten opzichte van Italië blijft gelden. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar situatie afwijkt. Ook de vingerafdrukken die van haar zijn afgenomen leiden niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.18889
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. L.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL22.18890, op 18 oktober 2022 op zitting behandeld. Eiseres is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.
2. Eiseres stelt dat verweerder ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan gaan. Er is sprake van gestructureerde tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Eiseres verwijst hiervoor naar het AIDA-rapport van 22 mei 2022, waaruit blijkt dat de situatie voor asielzoekers in Italië nog steeds slecht is. Om deze redenen zal uitzetting naar Italië leiden tot het ondergaan van een onmenselijke en
vernederende behandeling door eiseres, hetgeen in strijd komt met artikel 3 van Pro het EVRM1. Eiseres voert verder aan dat Italië niet te vertrouwen is, omdat ze gelogen hebben over het doel van de vingerafdrukken.
Kwetsbaar
3. De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft dit nog bevestigd in de uitspraken van onder meer 26 november 20212, 6 januari 20223 en 26 augustus 20224. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat in haar geval niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Eiseres is daarin niet geslaagd.
4. De rapporten en andere berichtgeving waar eiseres naar verwijst zijn besproken in bovengenoemde uitspraken van de ABRvS. Daarin staat dat uit deze rapporten en berichten niet blijkt dat niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Uit het nieuwste AIDA-rapport van 22 mei 2022, update 2021 volgt ook niet dat de situatie in Italië, na de vorige AIDA rapporten wezenlijk is verslechtend. Eiseres heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat de situatie in Italië anders ligt dan de feitelijke situatie waarop de uitspraken van de ABRvS zijn gebaseerd. De rechtbank verwijst verder naar het arrest M.T. tegen Nederland5 waarin staat dat ook in het geval van bijzondere kwetsbaarheid uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. Omdat ook in het geval van bijzondere kwetsbaarheid uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel laat de rechtbank zich niet uit over de vraag of eiseres daadwerkelijk bijzonder kwetsbaar is of niet. Dit betekent ook dat het niet noodzakelijk is dat verweerder aanvullende individuele garanties geeft bij de overdracht van eiseres aan Italië.
5. De rechtbank volgt verweerder in zijn in het bestreden besluit herhaalde standpunt uit het voornemen dat de omstandigheid dat van eiseres vingerafdrukken zijn afgenomen niet leidt tot de conclusie dat ten aanzien van Italië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Als eiseres vindt dat de autoriteiten van Italië disproportioneel of onrechtmatig hebben gehandeld, dan dient eiseres daarover te klagen in Italië. Het is niet gebleken dat dat onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
5 ECLI:CE:ECHR:2021:0323DEC004659519.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 oktober 2022

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.