AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beroep tegen intrekking verblijfsvergunning mensenhandel wegens beëindigd strafrechtelijk onderzoek
Eiseres, met de Braziliaanse nationaliteit, kreeg een tijdelijke verblijfsvergunning onder de beperking 'humanitair tijdelijk' vanwege een aangifte mensenhandel. Het Openbaar Ministerie besloot echter het strafrechtelijk onderzoek naar mensenhandel voortijdig te beëindigen omdat niet aan de delictsomschrijving werd voldaan, waarna de Staatssecretaris haar verblijfsvergunning introk met terugwerkende kracht en haar aanvraag tot wijziging naar een niet-tijdelijke humanitaire verblijfsvergunning afwees.
Eiseres voerde aan dat verweerder een zelfstandige beoordeling van haar mensenhandelrelaas had moeten maken en dat dwang niet vereist zou zijn voor mensenhandel. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het oordeel van het OM mocht volgen en dat dwang wel een vereiste is volgens de wet en jurisprudentie. Ook stelde eiseres dat de hoorplicht was geschonden omdat zij niet werd gehoord in bezwaar, maar de rechtbank vond dat dit niet nodig was gezien de duidelijke conclusie van het OM.
De rechtbank wees het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tevens werd de griffierechtvrijstelling toegekend vanwege het ontbreken van inkomen en het verlies van verblijfsrecht. De rechtbank bevestigde dat de beoordeling van de aannemelijkheid van het mensenhandelrelaas mede gebaseerd mag zijn op het oordeel van het OM en dat verweerder niet verplicht was een eigen, zelfstandige beoordeling te maken.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wegens beëindigd strafrechtelijk onderzoek naar mensenhandel wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL21.17452 en NL21.17453 Rectificatie p. 4
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiseres], eiseres
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Aboulouafa).
Procesverloop
In het besluit van 28 april 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot wijziging van de beperking van haar verblijfsvergunning naar 'humanitair niet-tijdelijk' afgewezen. Daarnaast heeft verweerder met datzelfde besluit de verblijfsvergunning van eiseres onder de beperking ‘humanitair tijdelijk’ in het kader van de Verblijfsregeling Mensenhandel ingetrokken per 24 september 2020. Ook geldt dit besluit als een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
In het besluit van 14 oktober 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL21.17453) op 8 september 2022 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen E. Ferro Costa. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Vrijstelling griffierecht
1. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht door betalingsonmacht. Eiseres heeft bij bericht van 10 december 2021
verklaard geen inkomen te genieten, aangezien zij haar verblijfsrecht heeft verloren en geen recht meer heeft op inkomen uit werk of voorzieningen. Daarnaast stelt eiseres op dit moment te leven van giften van vrienden en een opvang-instelling. De rechtbank ziet aanleiding om het verzoek tot vrijstelling van het griffierecht toe te wijzen. Eiseres is daarom geen griffierecht verschuldigd in deze procedure.
Inleiding
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1978 en heeft de Braziliaanse nationaliteit. Zij heeft op 29 augustus 2019 en 2 september 2019 aangifte gedaan van mensenhandel. Om die reden is aan haar een verblijfsvergunning onder de beperking ‘humanitair tijdelijk’ in het kader van de Verblijfsregeling Mensenhandel verleend voor de periode van 2 september 2019 tot 2 september 2021.
3. Het Openbaar Ministerie (het OM) heeft op 28 september 2020 besloten om naar aanleiding van de aangifte van eiseres de verdachte te vervolgen voor mensensmokkel, maar niet voor mensenhandel. Verweerder heeft daarop richting eiseres kenbaar gemaakt voornemens te zijn haar verblijfsvergunning in te trekken met terugwerkende kracht per 24 september 2020. Eiseres heeft daarop een aanvraag ingediend om de beperking van haar verblijfsvergunning te wijzigen naar niet-tijdelijke humanitaire gronden.
4. Verweerder heeft met het primaire besluit de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht, omdat eiseres niet langer voldoet aan de beperking doordat het OM het strafrechtelijk onderzoek naar mensenhandel heeft beëindigd.1 De aanvraag om de beperking van de verblijfsvergunning te wijzigen heeft verweerder afgewezen, omdat het OM geen strafrechtelijke vervolging naar mensenhandel is opgestart, eiseres niet langer dan drie jaar rechtmatig verblijf heeft gehad op basis van de verblijfsregeling mensenhandel en er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn, die rechtstreeks verband houden met mensenhandel, die vergen dat eiseres Nederland niet kan verlaten.2 Verweerder heeft het primaire besluit in bezwaar gehandhaafd.
Verschil tussen mensenhandel en mensensmokkel
5. De rechtbank stelt vast dat eiseres de beroepsgrond ten aanzien van het onderscheid dat verweerder maakt tussen mensenhandel en mensensmokkel ter zitting heeft ingetrokken.
Aannemelijkheid van het mensenhandelrelaas
6. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten om een zelfstandige beoordeling te maken van de aannemelijkheid van het mensenhandelrelaas. Verweerder mag hierbij niet alleen uitgaan van het oordeel van het Openbaar Ministerie (OM), maar heeft een eigen bestuursrechtelijke verantwoordelijkheid. In dit kader wijst eiseres op Werkinstructie 2021/18 ‘Beoordeling aannemelijkheid mensenhandelrelaas’ en het rapport van de WODC over de pilot uit 2018, waarbij een multidisciplinair team de aannemelijkheid
1. Zie artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, en artikel 19 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 (de Vw 2000) en de paragraven B1/6.3 en B8/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (de Vc 2000).
2 Zie paragraaf B9/12 van de Vc 2000, artikel 3.51, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (het
Vb 2000), artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder f, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (het Vv 2000) en artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, b en g, van het Vb 2000.
van het slachtofferschap beoordeelde.3 Uit dit rapport blijkt dat verweerder ruimte heeft om een eigen beoordeling te maken van de aannemelijkheid van het mensenhandelrelaas. Ook verwijst eiseres naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 8 juli 20224. Verder voert eiseres aan dat er in haar situatie, in tegenstelling tot wat verweerder heeft geconcludeerd, wel sprake was van mensenhandel. Hierbij wijst zij erop dat het element dwang niet is vereist, zoals blijkt uit artikel 273f, eerste lid en onder sub 6, van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet in strijd met de WI heeft gehandeld door geen zelfstandige beoordeling te maken van de aannemelijkheid van het mensenhandelrelaas van eiseres. Het OM heeft in het bericht van 28 september 2020 medegedeeld dat het onderzoek naar arbeidsuitbuiting voortijdig beëindigd zou worden. De reden hiervoor was dat op basis van het relaas van eiseres niet werd voldaan aan de elementen van de delictsomschrijving, te weten een handeling, een (dwang)middel en het oogmerk van uitbuiting. Al die elementen moeten volgens het OM aanwezig zijn om te kunnen spreken van mensenhandel. De rechtbank oordeelt dat verweerder het OM heeft kunnen volgen in zijn conclusie dat er geen sprake is van mensenhandel, omdat het relaas van eiseres daar onvoldoende aanknopingspunten voor bevat. De rechtbank acht hierbij van belang dat niet is gebleken dat de conclusie van het OM onzorgvuldig tot stand is gekomen. Dit wordt ook onderstreept door de beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 12 januari 2022 over het beklag van eiseres op grond van artikel 12 vanPro het Wetboek van Strafvordering (Sv). Hierin concludeert het Gerechtshof namelijk dat er sprake was van zeer slecht werkgeverschap, maar dat er desondanks onvoldoende aanknopingspunten zijn voor een succesvolle vervolging van beklaagde ter zake van mensenhandel. Hierin verschilt de zaak van eiseres ook met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam. In die zaak concludeerden het OM en het Gerechtshof Den Haag dat de vervolging voor mensenhandel moest worden geseponeerd, omdat het enige bewijs voorhanden de verklaringen van de vreemdeling zelf waren. Dit was onvoldoende om strafvervolging ter zake mensenhandel te rechtvaardigen. Verder heeft eiseres geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waardoor getwijfeld moet worden aan de beoordeling van het OM. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet in strijd met de Werkinstructie heeft gehandeld, aangezien daaruit volgt dat verweerder bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het mensenhandelrelaas informatie betrekt van onder meer het OM.
8. Verder volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling dat dwang geen vereist element is voor mensenhandel. Dit wordt namelijk weersproken door zowel het OM als het Gerechtshof Den Haag. Bovendien ziet artikel 273, eerste lid en onder sub 6, Sr, waar eiseres naar verwijst, specifiek op het opzettelijk voordeel trekken uit uitbuiting. Dat in dit enkele onderdeel van artikel 273f Sr niet gesproken wordt van dwang, maakt niet dat verweerder had moeten concluderen dat er in het geval van eiseres wel sprake was van mensenhandel. In alle overige onderdelen van artikel 273f Sr en in het bijzonder het tweede lid is het element dwang namelijk wel degelijk vereist.
3 Evaluatie pilot multidisciplinaire advisering slachtofferschap mensenhandel, WODC, september 2019.
4 NL21.5328.
Hoorplicht
9. Eiseres voert aan dat verweerder in strijd met de hoorplicht5 heeft gehandeld door haar niet te horen in bezwaar, gezien de aanvullingen op de bijzondere individuele omstandigheden in de aanvraag en in de gronden van bezwaar. Eiseres heeft namelijk duidelijk aangegeven te vrezen het slachtoffer te worden van represailles van verdachte en/of haar familie bij terugkeer naar Brazilië.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres niet heeft hoeven horen in bezwaar. Zoals hiervoor overwogen is het namelijk op basis van de informatie van het OM duidelijk dat er geen sprake is van mensenhandel. Er was hierbij geen sprake van ontbrekende informatie, maar het OM concludeerde dat op basis van het relaas van eiseres niet werd voldaan aan de delictsomschrijving van mensenhandel. Aangezien verweerder mocht uitgaan van deze conclusie van het OM, hoefde eiseres hier niet over gehoord te worden. De rechtbank acht hierbij van belang dat er geen sprake is van een situatie zoals beschreven in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 20226. In het geval van eiseres was het namelijk niet zo dat zij in de bezwaarfase nog niet alle relevante informatie en bewijsstukken had overgelegd die van haar werden verlangd, of dat er – om welke reden dan ook – nog onduidelijkheden over het te beoordelen feitencomplex bestonden. De specifieke omstandigheden die zien op represailles en vrees voor de ex-echtgenoot van eiseres maken dit niet anders, omdat deze omstandigheden nu juist verband houden met het mensenhandelrelaas, dat niet aannemelijk is geacht. Verweerder heeft er in verband met de vrees voor represailles en haar ex-echtgenoot op gewezen dat eiseres daarvoor de bescherming kan inroepen van de autoriteiten van haar land van herkomst. Voor zover er een asielmotief gelegen is in die vrees voor represailles in verband met mensensmokkel en/of de vrees voor haar ex-echtgenoot, dient eiseres daar een aparte asielaanvraag voor in te dienen.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Bazaz, griffier.
5 Artikel 7:2 vanPro de Algemene Wet Bestuursrecht.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 oktober 2022
Documentcode: [documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.