Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende persoon, diende op 27 mei 2021 een asielaanvraag in Nederland in. Hij stelde dat hij vanwege een lening en daaropvolgende veroordeling in Algerije en uitbuiting in Nederland bescherming zocht. De Staatssecretaris wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond en legde een inreisverbod van twee jaar op.
De rechtbank beoordeelde het procesbelang ondanks het feit dat eiser sinds oktober 2022 in detentie verbleef en niet op de zitting verscheen. De rechtbank concludeerde dat eiser nog steeds belang had bij inhoudelijke behandeling van het beroep. De geloofwaardigheid van het asielrelaas werd kritisch beoordeeld, waarbij verweerder het element van de lening en veroordeling als ongeloofwaardig bestempelde vanwege het ontbreken van bewijsstukken en inconsistenties in het verhaal.
Verder oordeelde de rechtbank dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen en zich zonder gegronde reden aan het toezicht had onttrokken. Hierdoor was het opleggen van een inreisverbod gerechtvaardigd. De rechtbank verwierp de beroepsgronden en verklaarde het beroep ongegrond, waarbij ook geen proceskosten werden toegewezen.