Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, werd op 30 oktober 2022 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat de ophouding op een verkeerde wettelijke grondslag plaatsvond en dat de overheid onvoldoende inspanningen had verricht om zijn uitzetting te realiseren.
De rechtbank oordeelde dat de ophouding terecht plaatsvond op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet, omdat eiser geen documenten overlegde en meerdere aliassen gebruikte, waardoor zijn identiteit niet direct kon worden vastgesteld. De gronden voor de bewaring, waaronder risico op ontduiking van toezicht en onvoldoende medewerking aan identiteitsvaststelling, werden niet betwist.
Verder stelde de rechtbank vast dat de overheid voldoende voortvarend had gehandeld door binnen korte tijd na de inbewaringstelling een vertrekgesprek te voeren en de LP-aanvraag in te vullen. Het beroep op onvoldoende inspanningsverplichting en voortvarendheid werd verworpen.
De rechtbank wees ook het verzoek om schadevergoeding af en oordeelde dat ambtshalve toetsing geen aanleiding gaf tot een ander oordeel. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.