ECLI:NL:RBDHA:2022:15414

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 november 2022
Publicatiedatum
20 februari 2023
Zaaknummer
NL22.22274
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 5.1b VbArt. 67 VwArt. 66a lid 7 VwParagraaf A5/6.12 Vc
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens Dublin-overdracht

Eiser, van Belarussische nationaliteit, werd op 31 oktober 2022 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken.

Eiser betwistte de gronden voor de bewaring niet, maar stelde dat de overheid tijdens zijn voorafgaande strafrechtelijke detentie (17-31 oktober 2022) al had moeten starten met overdrachtsmaatregelen. De rechtbank oordeelde dat gezien de korte duur van de strafrechtelijke detentie verweerder zijn inspanningsverplichting niet had geschonden.

Verder handelde de overheid voortvarend na de inbewaringstelling door binnen enkele dagen vertrekhandelingen te verrichten, waaronder een vertrekgesprek en het verzenden van een claimverzoek aan de Belgische autoriteiten.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.22274
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.M.H. van de Wal).

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen E. Unguryan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Belarussische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1970.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, niet heeft betwist.
Inspanningsverplichting en voortvarendheid
4. Eiser voert aan dat hij in strafrechtelijke detentie heeft gezeten, daarna is hij overgedragen aan de vreemdelingenpolitie en is aan hem de maatregel van bewaring opgelegd. Omdat eiser voordat hij in bewaring is gesteld in strafrechtelijke detentie heeft gezeten was er voor verweerder alle aanleiding om tijdens de strafrechtelijke detentie al te beginnen om maatregelen te nemen voor de overdracht van eiser. Het kan namelijk enige tijd duren voordat een land akkoord gaat met de overdracht van een vreemdeling.
5. De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser heeft van 17 oktober 2022 tot 31 oktober 2022 in strafrechtelijke detentie gezeten. Verweerder moet gedurende de strafrechtelijke detentie van een vreemdeling zoveel mogelijk voorkomen dat hij na deze detentie in bewaring wordt gesteld.1 Gelet op de relatief korte duur van eisers detentie heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank zijn inspanningsverplichting niet geschonden door in deze periode geen handelingen te verrichten voor de overdracht van eiser.
6. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder tijdens de inbewaringstelling van eiser voldoende voortvarend heeft gehandeld. Eiser is op 31 oktober 2022 in vreemdelingenbewaring gesteld. Op 3 november 2022 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden en is een claimverzoek verzonden naar de Belgische autoriteiten om eiser over te nemen. Door deze vertrekhandelingen zo kort na de inbewaringstelling van eiser te verrichten heeft verweerder voldoende voortvarend gewerkt aan de overdracht van eiser. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. Paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
09 november 2022

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.