Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 26 november 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes maanden beslist. Eiser stelde verweerder op 2 juni 2022 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is. Gezien de omstandigheden legt zij een beslistermijn van zestien weken op, verdeeld in twee termijnen van elk acht weken: eerst voor het afnemen van een eerste gehoor en vervolgens voor het nemen van een besluit. De rechtbank wijst op het 8+8-wekenmodel zoals gehanteerd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Verder bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van €100 per dag moet betalen bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €7.500. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €379,50, rekening houdend met de professionele juridische bijstand van eiser en de aard van de procedure.
De uitspraak is gedaan zonder zitting, nadat partijen geen zitting hadden verzocht. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt verweerder op binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen. Eiser wordt gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van deze uitspraak.