ECLI:NL:RBDHA:2022:15437

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2022
Publicatiedatum
20 februari 2023
Zaaknummer
NL22.5676
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding wegens te late besluitvorming in vreemdelingenzaak

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag bij de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Op 30 september 2022 heeft de verweerder alsnog een inwilligend besluit genomen, waarop het beroep mede gericht werd. Vervolgens heeft eiser het beroep ingetrokken en verzocht om een proceskostenvergoeding.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting, omdat partijen geen zitting wensten. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit terecht was ingesteld en dat verweerder te laat heeft beslist. Daarom veroordeelt de rechtbank verweerder tot betaling van de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken.

De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op €379,50, waarbij rekening is gehouden met een wegingsfactor van 0,5 vanwege de beperkte aard van het geschil. De rechtbank doet geen inhoudelijke uitspraak over het beroep zelf, aangezien dit is ingetrokken.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling van €379,50 aan proceskosten wegens te late besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.5676
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser geboren op [geboortedatum] 1990 van Russische nationaliteit V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner) en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,verweerder

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag.
Op 30 september 2022 heeft verweerder alsnog een inwilligend besluit genomen op de aanvraag.
Het beroep van eiser wordt geacht mede te zijn gericht tegen het inwilligend besluit.
Eiser heeft op 23 november 2022 het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Verweerder heeft op 8 december 2022 op dit verzoek gereageerd.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Dat is wat eiser heeft gedaan. Inmiddels heeft verweerder wel een besluit genomen. Verweerder heeft dus gedaan wat eiser wilde en de rechtbank hoeft dit dan ook niet meer aan verweerder op te dragen. Eiser heeft zijn beroep ingetrokken, maar heeft verzocht om een proceskostenveroordeling.
3. Omdat eiser zijn beroep heeft ingetrokken zal de rechtbank geen uitspraak doen over de
1. Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
vraag of eiser gelijk had met zijn beroep. Wel zal de rechtbank oordelen of verweerder een proceskostenvergoeding moet betalen.
Proceskostenveroordeling
4. Over de vergoeding van de proceskosten die eiser vraagt overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken, nu het bestreden besluit van 30 september 2022 te laat is genomen en het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit terecht is ingesteld door eiser. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de andere partij laten betalen (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
5. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van eiser en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van eiser te betalen tot een bedrag van € 379,50. Verweerder is van mening dat een wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
6. De rechtbank is het met verweerder eens en stelt de proceskosten van eiser die verweerder moet betalen vast op € 379,50 (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 379,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €
379,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 december 2022

Documentcode: [documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.