Eiser heeft op 11 november 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes maanden een besluit genomen. Eiser heeft verweerder op 19 mei 2022 schriftelijk in gebreke gesteld en vervolgens beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank heeft geen zitting gehouden omdat partijen daarmee instemden. De rechtbank stelt vast dat het beroep ontvankelijk en gegrond is, omdat verweerder niet binnen de termijn heeft beslist. De rechtbank legt een beslistermijn van zestien weken op, waarbij verweerder binnen acht weken na verzending van het vonnis een eerste gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna het besluit moet bekendmaken.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €7.500. Ook veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €379,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en bekendgemaakt op 3 oktober 2022. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt verweerder op alsnog binnen de gestelde termijn te beslissen, onder dreiging van de dwangsom.