Eiser heeft op 8 januari 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes maanden een besluit genomen. Eiser heeft verweerder op 12 juli 2022 in gebreke gesteld en vervolgens beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting, omdat partijen geen zitting hebben verzocht. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet tijdig heeft beslist en legt een uiterlijke beslistermijn van zestien weken op, waarbij binnen acht weken na verzending van het vonnis een eerste gehoor moet plaatsvinden en binnen acht weken daarna het besluit bekendgemaakt moet worden.
Vanwege een tijdelijke wet is het opleggen van een bestuurlijke dwangsom niet mogelijk, maar de rechtbank oordeelt dat een rechterlijke dwangsom wel kan worden opgelegd. Daarom wordt verweerder verplicht een dwangsom van €100 per dag te betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €7.500.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €379,50, omdat eiser een professionele gemachtigde heeft ingeschakeld en het beroep gegrond is verklaard.
De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt verweerder op binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen.