ECLI:NL:RBDHA:2022:15652
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing mvv-aanvraag wegens schijnhuwelijk en onvoldoende bewijs duurzame relatie
Eiser en zijn minderjarige dochter vroegen een mvv-aanvraag aan voor verblijf bij eiser's Nederlandse echtgenote, referente. Verweerder wees de aanvraag af wegens indicaties van een schijnhuwelijk en tegenstrijdige verklaringen over belangrijke aspecten van hun relatie, zoals het eerste contact, de huwelijksdag en het moment waarop referente de dochter ontmoette.
Tijdens de zitting stelde de rechtbank vast dat verweerder de eerdere tegenstrijdigheden over verklaringen uit 2008 niet langer handhaafde en dat het feit dat de dochter vlak voor het huwelijk geboren werd geen indicatie was voor een schijnhuwelijk. Echter, de rechtbank vond dat eiser en referente onvoldoende en wisselend bewijs leverden over hun langdurige contact sinds 2013 en andere relevante gebeurtenissen.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen op cruciale punten summier en tegenstrijdig waren, hetgeen niet werd gecompenseerd door de spanning tijdens het gehoor. Ook werd geoordeeld dat de Afdelingsuitspraak van 13 juli 2022 niet van toepassing is omdat sprake is van een schijnhuwelijk, waardoor artikel 8 EVRM Pro niet van toepassing is.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De rechtbank bevestigde dat de weigering van verblijf geen schending van artikel 8 EVRM Pro inhoudt omdat er geen sprake is van een familie- of gezinsleven zoals bedoeld in dat artikel.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens schijnhuwelijk en onvoldoende bewijs van een duurzame relatie.