ECLI:NL:RBDHA:2022:158
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen ligplaatsverbod roeiboot in gemeente Leidschendam-Voorburg ongegrond verklaard
Eiseres diende een aanvraag in om haar roeiboot in het water bij haar achtertuin te mogen plaatsen, waar een ligplaatsverbod geldt volgens artikel 5:25 van Pro de APV van Leidschendam-Voorburg. Na afwijzing van haar aanvraag en het bezwaar daartegen, stelde zij beroep in bij de rechtbank.
Eiseres verzocht de rechtbank om het ligplaatsverbod exceptief te toetsen aan hogere regelgeving en algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat het verbod door de democratisch vastgestelde APV is vastgesteld en niet in strijd is met hogere regelgeving. De toelichting bij artikel 5:25 APV Pro maakt onderscheid tussen woonschepen en andere vaartuigen; hier betreft het geen woonschip.
Eiseres stelde dat ontheffing mogelijk moet zijn en beroept zich op het gelijkheidsbeginsel omdat andere eigenaren wel gedoogbeschikkingen ontvingen. De rechtbank stelde vast dat deze gedoogbeschikkingen voortkomen uit eerdere foutieve toestemmingen en dat eiseres nooit een dergelijke brief heeft ontvangen, waardoor geen sprake is van gelijke gevallen.
Tot slot betoogde eiseres dat verweerder had moeten afwijken van het beleid, maar de rechtbank wees dit af omdat het ligplaatsverbod een algemeen verbindend voorschrift is en geen beleidsregel. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het ligplaatsverbod is ongegrond verklaard en ontheffing wordt niet verleend.