ECLI:NL:RBDHA:2022:15879
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. Dit besluit is genomen op basis van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser stelde dat Nederland het verzoek om internationale bescherming op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken, vanwege het risico op onmenselijke behandeling en structurele tekortkomingen in de Franse asielprocedure. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Frankrijk, omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel risico bestaat op schending van artikel 4 van Pro het Handvest of artikel 3 van Pro het EVRM.
De rechtbank constateert dat eiser in Frankrijk een asielaanvraag heeft ingediend en dat er geen bewijs is geleverd van structurele gebreken in het Franse asiel- en opvangsysteem die het vertrouwen in de Franse procedure ondermijnen. Ook is niet gebleken dat klagen bij Franse autoriteiten onmogelijk of zinloos is geweest. Op grond hiervan is het beroep ongegrond verklaard en is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.