Verzoekster is op 4 juli 2022 in beroep gegaan tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft vervolgens op 15 juli 2022 alsnog een besluit genomen, waarna verzoekster haar beroep heeft ingetrokken en een vergoeding van proceskosten heeft gevraagd.
De rechter overweegt dat de zaak uitsluitend gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Omdat de Staatssecretaris alsnog tijdig heeft besloten, wordt een wegingsfactor van 0,5 toegepast bij de vaststelling van de proceskosten. De proceskosten worden vastgesteld op €379,50, welke door de Staatssecretaris aan verzoekster moeten worden betaald.
Daarnaast moet de Staatssecretaris ook het griffierecht van €181,- aan verzoekster vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Rechtbank Den Haag op 13 december 2022 en is in het openbaar uitgesproken.