Eiseres diende een aanvraag in voor het maken van een doorbraak van de oever ten behoeve van een insteekhaven. Verweerder wees deze aanvraag af bij besluit van 21 juli 2021, dat aangetekend werd verzonden. De bezwaartermijn van zes weken liep af op 1 september 2021. Het bezwaarschrift werd echter pas op 10 oktober 2021 ontvangen, waardoor het niet tijdig was.
Eiseres voerde aan dat zij het besluit pas op 21 september 2021 had ontvangen omdat zij tot 17 augustus 2021 in het buitenland verbleef en de aangetekende brief niet had opgehaald. Verweerder stelde dat het besluit tweemaal was aangeboden en daarna bij een PostNL-punt lag, maar niet werd afgehaald. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende aannemelijk had gemaakt dat het besluit op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt.
De rechtbank benadrukte dat het de eigen verantwoordelijkheid van eiseres was om tijdens haar verblijf in het buitenland adequate maatregelen te treffen ter behartiging van haar belangen, zoals het inschakelen van een gemachtigde. Omdat eiseres dit niet had gedaan en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, verklaarde de rechtbank het bezwaar niet-ontvankelijk en het beroep ongegrond.