Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.Wraking van de wrakingskamer
3.Het wrakingsverzoek van 30 oktober 2022
4.De beoordeling
5.De beslissing
;
23 december 2022.
Rechtbank Den Haag
De wrakingskamer van de rechtbank Den Haag behandelde een wrakingsverzoek van een verzoeker tegen kantonrechter mr. A.J. Japenga. Het verzoek betrof klachten over de wijze van bejegening, regievoering tijdens de mondelinge behandeling en het niet ontvangen van een transcriptie. De wrakingskamer oordeelde dat dergelijke klachten niet geschikt zijn voor wraking en dat geen concrete feiten of omstandigheden waren gesteld die de schijn van partijdigheid konden wekken.
De wrakingskamer stelde vast dat de kantonrechter binnen zijn regietaken handelde en dat het overleggen van een pleitnota ter zitting niet ongebruikelijk is. Ook het ontbreken van een transcriptie levert geen objectieve schijn van vooringenomenheid op, aangezien het proces-verbaal als enige kenbron geldt. De wrakingskamer concludeerde dat het verzoek evident misbruik van recht betreft, mede omdat de verzoeker reeds meerdere vergelijkbare verzoeken had ingediend die niet waren gehonoreerd en die de rechtspleging onredelijk vertraagden.
Daarom werd het wrakingsverzoek zonder zitting ongegrond verklaard en afgewezen. Tevens werd bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand van het moment van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter is ongegrond verklaard en afgewezen wegens evident misbruik van recht.