ECLI:NL:RBDHA:2022:16109
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Zwitserland
Verzoekers, van Eritrese nationaliteit, hebben bezwaar gemaakt tegen hun voorgenomen uitzetting naar Zwitserland en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank heeft de beroepen van verzoekers tegen de niet-in behandeling name van hun aanvragen ongegrond verklaard. Verzoekers stelden dat de overdrachtstermijn van zes maanden was verstreken, omdat Zwitserland het verzoek tot terugname op 6 mei 2022 had geaccepteerd. Verweerder stelde echter dat de termijn pas op 9 mei 2022 begon te lopen, de dag waarop het claimakkoord werd ontvangen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de termijn begint te lopen de dag na ontvangst van het claimakkoord, waardoor de overdracht uiterlijk op 9 november 2022 mocht plaatsvinden. Verzoekers konden dus nog op die dag worden overgedragen. Daarnaast faalden hun bezwaren over indirect refoulement en het niet naleven van kennisgevingsvoorwaarden door verweerder. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom zonder zitting afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting naar Zwitserland wordt afgewezen omdat de overdrachtstermijn nog niet is verstreken.