Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiseres, met Iraanse nationaliteit, had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij haar echtgenoot. Deze vergunning werd met terugwerkende kracht ingetrokken per 5 december 2017 wegens het niet voldoen aan het middelenvereiste. Verweerder verleende haar tegelijkertijd een EU-verblijfsdocument vanwege haar dochter met de Nederlandse nationaliteit en een nieuwe verblijfsvergunning vanaf 6 april 2021.
Eiseres stelde dat door de intrekking een verblijfsgat was ontstaan en dat haar beroep op artikel 8 EVRM Pro en het evenredigheidsbeginsel onvoldoende was meegewogen. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht had vastgesteld dat eiseres niet aan het middelenvereiste voldeed, mede omdat haar echtgenoot vanaf 5 december 2017 een uitkering ontving. Het EU-verblijfsdocument voorkwam belemmering van het gezinsleven.
Hoewel het bestreden besluit motiveringsgebreken bevatte, leidde dit niet tot nadeel voor eiseres. De rechtbank paste artikel 6:22 van Pro de Awb toe om deze gebreken te passeren. Het beroep werd ongegrond verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt ongegrond verklaard.