Uitspraak
Inleiding
Rechtbank Den Haag
Naar aanleiding van twee Europees Onderzoeksbevelen van Belgische autoriteiten is op 29 september 2021 beslag gelegd op een geldbedrag van €12.000 en andere goederen. Klager diende op 9 december 2021 een beklag in bij de rechtbank Den Haag tot teruggave van deze goederen.
De rechtbank behandelde het beklag in besloten raadkamer op 11 januari 2022. Klager werd gehoord, evenals de officier van justitie. De Belgische autoriteiten hadden geheimhouding van het onderliggende onderzoek verzocht, waardoor de EOB's en onderliggende stukken niet aan klager zijn verstrekt.
Klager stelde dat de goederen teruggegeven moesten worden en dat hij niet op de hoogte was van de termijn van 14 dagen om het klaagschrift in te dienen. De officier van justitie stelde dat klager niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege het niet tijdig indienen van het klaagschrift, maar dat het geldbedrag zal worden geretourneerd.
De rechtbank oordeelde dat zij bevoegd was het beklag te behandelen, maar dat klager niet-ontvankelijk was omdat het klaagschrift buiten de wettelijke termijn van veertien dagen was ingediend. Er was geen sprake van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. De overschrijding van de wettelijke termijn van dertig dagen voor een beschikking had geen gevolgen voor de ontvankelijkheid.
De rechtbank verklaarde het beklag van klager niet-ontvankelijk en deed dit bij openbare zitting op 25 januari 2022.
Uitkomst: Klager is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van het klaagschrift tegen de inbeslagname.