Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.Inleiding
2.De procedure in raadkamer
N.M.Fakiri, is gehoord. De officier van justitie, mr. B. Koenders, is gehoord.
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een beklag van klager tegen de beslaglegging op goederen in zijn woning, uitgevoerd op basis van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) van Belgische autoriteiten. Klager verzocht om teruggave van zijn goederen, stellende dat het strafrechtelijk onderzoek niet meer loopt en er geen redelijk vermoeden van schuld is.
De rechtbank Den Haag behandelde het beklag in raadkamer en nam kennis van het dossier. De Belgische autoriteiten hadden geheimhouding gevraagd over het onderliggende onderzoek, waardoor het EOB en de onderliggende stukken niet aan klager zijn verstrekt. Klager en de officier van justitie zijn gehoord.
De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is het beklag te behandelen en dat klager ontvankelijk is omdat het klaagschrift tijdig is ingediend. De inhoudelijke toetsing richt zich op de rechtmatigheid van het beslag en het belang van strafvordering. De rechtbank stelt vast dat het EOB door de officier van justitie is erkend en tenuitvoer gelegd, dat het belang van strafvordering nog steeds bestaat en dat er geen weigeringsgronden zijn.
Daarom wordt het beklag ongegrond verklaard. De rechtbank merkt op dat de wettelijke termijn voor een beschikking is overschreden, maar dat dit geen gevolgen heeft voor de beoordeling. De beslissing is op 16 november 2022 uitgesproken door rechter N.F.R. de Rooij.
Uitkomst: Het beklag tegen het beslag wordt ongegrond verklaard en de teruggave van de goederen wordt afgewezen.