ECLI:NL:RBDHA:2022:16299
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening urgentieverklaring wegens algemene weigeringsgronden
Verzoekster heeft op 22 maart 2022 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring omdat zij met haar vier minderjarige kinderen woont in een woning met lekkage, kortsluiting en vochtproblemen, wat de gezondheid van haar kinderen schaadt. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft deze aanvraag afgewezen op basis van algemene weigeringsgronden uit de Huisvestingsverordening Den Haag 2019.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening gevraagd, waarbij zij stelde dat zij de woning per april 2022 moest verlaten en dat zij vanwege haar situatie en inkomen alleen in aanmerking komt voor sociale woningbouw. Zij heeft een vaststellingsovereenkomst overgelegd waarin is afgesproken dat de huurovereenkomst uiterlijk op 31 oktober 2022 zal eindigen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat onderhoudsproblemen zoals vocht en schimmel geen urgent woonprobleem vormen volgens de beleidsregel urgentieverklaringen. De door verzoekster overgelegde foto's en de verklaring van de huisarts bieden onvoldoende bewijs dat de gezondheid van de kinderen direct verband houdt met de staat van de woning. De hardheidsclausule wordt niet toegepast omdat de situatie niet schrijnend genoeg is.
Verder is gebleken dat verzoekster nog steeds op het adres staat ingeschreven en dat zij mogelijk huurbescherming geniet. Zij kan zich wenden tot het Juridisch Loket en bij gebrek aan woonruimte tot de gemeentelijke noodopvang. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de weigering van een urgentieverklaring wordt afgewezen.