ECLI:NL:RBDHA:2022:1638

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2022
Publicatiedatum
2 maart 2022
Zaaknummer
22_246
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 1:3 AwbParticipatiewet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen stopzetting bijstandsuitkering

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de uitkeringsspecificatie van december 2021 waarin zijn bijstandsuitkering over voorgaande maanden is ingehouden en op een reserveringsrekening is geplaatst. De voorzieningenrechter oordeelt dat deze specificatie als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht moet worden aangemerkt omdat het om een nieuwe beslissing gaat.

Verweerder heeft het recht op bijstand per 1 oktober 2021 toegekend, maar per 10 november 2021 ingetrokken wegens het niet langer hebben van hoofdverblijf op het uitkeringsadres. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, maar de voorzieningenrechter heeft een eerder verzoek om voorlopige voorziening afgewezen op grond van feiten uit een huisbezoek en verklaringen van verzoeker.

Verweerder heeft de uitbetaling van de bijstand per 1 oktober 2021 stopgezet en het bedrag op een reserveringsrekening geplaatst. De voorzieningenrechter vindt dat verweerder dit rechtmatig kon doen omdat er een gegrond vermoeden bestond dat verzoeker geen recht meer had op bijstand. Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de stopzetting van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/246

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 februari 2022 in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. J. Biemond),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Siemerink).

Procesverloop

Verweerder heeft aan verzoeker een uitkeringsspecificatie Participatiewet (Pw) over de maand december 2021 toegezonden.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 februari 2022 op zitting behandeld. De gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder hebben via een beeldverbinding deelgenomen aan de zitting. Verzoeker is gehoord via een telefonische verbinding.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Verzoeker heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht ten aanzien van het betalen van het griffierecht. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om dit beroep toe te wijzen. Verzoeker hoeft dan ook geen griffierecht te betalen voor deze procedure.
3. Alvorens kan worden overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, beoordeelt de voorzieningenrechter of sprake is van een voldoende spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Van een spoedeisend belang als hiervoor bedoeld is onder meer sprake wanneer betrokkene in acute financiële nood verkeert.
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aannemelijk is dat de financiële situatie van verzoeker zodanig is dat er sprake is van spoedeisend belang. De voorzieningenrechter zal hierna beoordelen of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen.
4.1
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de uitkeringsspecificatie van december 2021. Daaruit blijkt dat aan hem over de maanden oktober 2011 en november 2011 een bijstandsuitkering en over de maand december 2011 vakantiegeld wordt betaald. Echter deze betalingen zijn allemaal ingehouden met als reden “reservering”. Per saldo is aan verzoeker nul euro uitbetaald.
4.2.
Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 8 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2313) ligt aan elke betaling van uitkering een besluit tot zodanige betaling ten grondslag. Wanneer een ander daartoe strekkend geschrift van het bestuursorgaan ontbreekt, kan dit besluit zichtbaar worden in een uitkeringsspecificatie. Daartegen staat dan in beginsel het rechtsmiddel van bezwaar open. De rechtmatigheid van een eerder genomen besluit waarbij over de grondslag van periodiek te betalen salaris of uitkering is beslist, kan echter niet bij elke betaling opnieuw aan de orde worden gesteld. Voor zover over een element van de salaris- of uitkeringsvaststelling al eerder een besluit is genomen en daarin bij een periodieke betaling geen wijziging optreedt, is in het algemeen sprake van een herhaling van de eerder genomen beslissing. Zo’n herhaling is niet gericht op enig rechtsgevolg dat niet reeds door de oorspronkelijke beslissing tot stand was gebracht en kan om die reden niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.3.
Nu met de specificatie van de maand december 2021 voor het eerst uitkeringen over voorgaande maanden zijn ingehouden, is er geen sprake van een herhaling van een eerder genomen beslissing. Daarmee zijn alle elementen van de specificatie gericht op een rechtsgevolg en is de specificatie in zijn geheel als een besluit in de zin van de Awb aan te merken.
5.1.
Uit het dossier is de voorzieningenrechter gebleken dat verweerder bij besluit van 6 december 2021 de opschorting van verzoekers bijstandsuitkering heeft opgeheven en dat verweerder aan verzoeker per 1 oktober 2021 weer een bijstandsuitkering heeft toegekend.
5.2.
Bij een ander besluit van dezelfde datum heeft verweerder de aan verzoeker toegekende bijstandsuitkering per 10 november 2021 ingetrokken op de grond dat verzoeker niet langer zijn hoofdverblijf heeft op zijn uitkeringsadres. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en hangende dit bezwaar een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij deze rechtbank. Bij uitspraak van 24 december 2021 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen. De voorzieningenrechter was van oordeel dat, gelet op hetgeen verzoeker bij het gesprek bij verweerder heeft verklaard, de bevindingen van het huisbezoek en het zeer lage waterverbruik, er voldoende grondslag was voor het standpunt van verweerder dat verzoeker niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.
5.3.
Verweerder heeft hangende het onderzoek naar het daadwerkelijke recht op bijstand per 1 oktober 2021 een bedrag van € 1.617,90 op een reserveringsrekening geplaatst. Daarmee heeft verweerder de uitbetaling van de bijstandsuitkering van verzoeker per 1 oktober 2021 in feite stopgezet. Volgens vaste jurisprudentie is stopzetting van de betaling van bijstand rechtmatig indien het gegronde vermoeden bestaat dat de betrokkene geen recht (meer) heeft op een (volledige) bijstandsuitkering. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kon verweerder dit gegronde vermoeden hebben. Immers, uit de bevindingen uit het huisbezoek van 10 november 2021 en hetgeen verzoeker op die dag heeft verklaard zijn feiten en omstandigheden naar voren gekomen waaruit kan worden opgemaakt dat verzoeker ook al op 1 oktober 2021 niet zijn hoofdverblijf had op zijn uitkeringsadres en dat hij vanaf die dag al geen recht had op een bijstandsuitkering. Onder deze omstandigheden heeft verweerder de bijstandsuitkering op een reserveringsrekening kunnen plaatsen. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.