ECLI:NL:RBDHA:2022:1638
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen stopzetting bijstandsuitkering
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de uitkeringsspecificatie van december 2021 waarin zijn bijstandsuitkering over voorgaande maanden is ingehouden en op een reserveringsrekening is geplaatst. De voorzieningenrechter oordeelt dat deze specificatie als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht moet worden aangemerkt omdat het om een nieuwe beslissing gaat.
Verweerder heeft het recht op bijstand per 1 oktober 2021 toegekend, maar per 10 november 2021 ingetrokken wegens het niet langer hebben van hoofdverblijf op het uitkeringsadres. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, maar de voorzieningenrechter heeft een eerder verzoek om voorlopige voorziening afgewezen op grond van feiten uit een huisbezoek en verklaringen van verzoeker.
Verweerder heeft de uitbetaling van de bijstand per 1 oktober 2021 stopgezet en het bedrag op een reserveringsrekening geplaatst. De voorzieningenrechter vindt dat verweerder dit rechtmatig kon doen omdat er een gegrond vermoeden bestond dat verzoeker geen recht meer had op bijstand. Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de stopzetting van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.