ECLI:NL:RBDHA:2022:1656

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2022
Publicatiedatum
3 maart 2022
Zaaknummer
NL22.1085
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C. van Boven - Hartogh
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvestartikel 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank overweegt dat Duitsland inderdaad verantwoordelijk is en dat de Duitse autoriteiten hun internationale verplichtingen, waaronder het verbod op refoulement, zullen naleven. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval niet zo is. De enkele stelling dat zijn aanvraag niet adequaat is beoordeeld, is onvoldoende onderbouwd.

De staatssecretaris heeft terecht geen aanleiding gezien om de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af.

De uitspraak is gedaan op 24 februari 2022 door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag te Middelburg.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.1085
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 2], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Jalouqa).

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.1086, op 24 februari 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. Yap, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder is, met een voorafgaand bericht, niet verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming.
2. Verweerder heeft terecht overwogen dat Duitsland met de aanvaarding van het verzoek om eiser terug te nemen opnieuw heeft toegezegd om eisers asielverzoek in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Daarbij zijn zij gebonden aan het verbod van refoulement zoals opgenomen in artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan er ook van worden uitgegaan dat Duitsland haar internationale verplichtingen zal nakomen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Hierin is eiser niet geslaagd.
3. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom eisers verklaringen geen aanleiding vormen voor twijfel dat Duitsland zijn internationale verplichtingen zal nakomen. De enkele niet onderbouwde stelling van eiser dat zijn asielaanvraag niet op adequate wijze is beoordeeld omdat zijn aanvraag is afgewezen en dat er daarom sprake zal zijn van uitzetting naar het land van herkomst in strijd met het verbod van refoulement, is niet onderbouwd en daarom onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Verweerder mag er vanuit gaan dat de Duitse autoriteiten de asielaanvraag van eiser en de eventuele uitzetting naar land van herkomst zorgvuldig zullen behandelen. Voor zover de behandeling van eisers asielaanvraag desondanks tekort schiet, ligt het op de weg van eiser om daar bij de (hogere) Duitse autoriteiten over te klagen. Eiser heeft niet onderbouwd dat de autoriteiten van Duitsland hem niet zouden kunnen of willen helpen, of dat klagen bij voorbaat zinloos is.
4. Verweerder heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om met toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de behandeling van de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken. Verweerder heeft in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat er geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2022 door mr. C. van Boven - Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.