ECLI:NL:RBDHA:2022:1660

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2022
Publicatiedatum
3 maart 2022
Zaaknummer
NL22.2415
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwDublinverordeningBeschikking van de Werkgroep voor het Personenverkeer betreffende de verwijdering en de overname van personen van 28 juni 1967
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel bewaring op grond van de Dublinverordening ongegrond verklaard

Eiser, een Egyptische nationaliteit bezittende vreemdeling, werd op 10 februari 2022 geconfronteerd met een maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht onder de Dublinverordening en een significant risico op onderduiken.

Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding wegens vermeende onvoldoende voortvarendheid van verweerder bij de verwijdering. De rechtbank stelde vast dat eiser de gronden voor de maatregel niet betwistte en dat deze gronden, zowel zwaar als licht, voldoende waren om het risico van onderduiken aan te nemen.

De rechtbank oordeelde dat de overdracht op grond van de Dublinverordening uitputtend is en dat een overdracht op basis van de oudere Beschikking van de Werkgroep voor het Personenverkeer niet mogelijk is zonder de Dublinverordening te doorkruisen. Verweerder had bovendien adequaat gehandeld door een terugnameverzoek naar België te sturen en een vertrekgesprek te voeren.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.2415
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1], eiser V-nummer: [naam 2]

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen), en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.1
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het onderzoek is gesloten op 24 februari 2022.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Egyptische nationaliteit te bezitten.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd niet heeft betwist. De zware gronden 3a, 3b, 3c en 3i en de lichte gronden 4a, 4b, 4c en 4f zijn – in onderlinge samenhang bezien – voldoende om aan te nemen dat een significant risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring daarom dragen.
1. Vreemdelingenwet 2000.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering, omdat verweerder heeft besloten eiser op grond van de Dublinverordening over te dragen, terwijl een overdracht op grond van de Beschikking van de Werkgroep voor het Personenverkeer betreffende de verwijdering en de overname van personen van 28 juni
1967 (de Beschikking) vormvrij, en daarmee sneller, had kunnen worden plaatsvinden. Deze beroepsgrond slaagt - om de navolgende redenen - niet.
5. Verweerder heeft zich in het verweerschrift namelijk terecht op het standpunt gesteld dat de Dublinverordening een uitputtende regeling bevat voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat. Een overdracht op grond van de Beschikking zou een onbelemmerde toepassing van de Dublinverordening doorkruisen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser dan ook op grond van de Dublinverordening dient te worden overgedragen.
6. In het verweerschrift is voorts nog toegelicht dat op 11 februari 2022 een terugnameverzoek is verstuurd naar de Belgische autoriteiten en dat op 16 februari 2022 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden met eiser. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. N.H. de Zeeuw, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Documentcode: DSR19416120

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.