Eisers betwistten het besluit van het schoolbestuur om hun zoon te schorsen en te verwijderen wegens het gebruik en de handel in softdrugs op en nabij de school. Verweerder stelde dat de maatregelen gerechtvaardigd waren en dat eisers geen procesbelang meer hadden omdat hun zoon inmiddels op een andere school onderwijs volgde.
De rechtbank oordeelde dat de brief van 6 december 2019, waarin de verwijderingsprocedure werd aangekondigd, een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is en dat het bezwaar tegen dit besluit terecht ontvankelijk was. De rechtbank stelde vast dat de schorsing en verwijdering gebaseerd waren op voldoende en deugdelijk vastgestelde feiten, waaronder verklaringen van de zoon, vondsten van druggerelateerde materialen en het handelen in softdrugs met medeleerlingen.
De rechtbank verwierp de stellingen van eisers over schending van het fair-play en vertrouwensbeginsel en concludeerde dat de school bevoegd was tot het stellen en toepassen van leefregels omtrent drugsgebruik. Tevens werd geoordeeld dat eisers en hun zoon voorafgaand aan de verwijdering voldoende gelegenheid tot horen hadden gehad. Het belang van de veiligheid van andere leerlingen woog zwaarder dan het belang van de zoon om onderwijs op deze school voort te zetten.
Het beroep tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard en het rechtstreeks beroep tegen het nieuwe verwijderingsbesluit niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.