Verzoekster, fabrikant van autostoeltjes type BCES5202 en extensies, kreeg haar typegoedkeuringen ingetrokken door verweerder, de RDW, wegens niet tijdig oplossen van non-conformiteiten die de veiligheid van de stoeltjes in gevaar brengen.
Verzoekster stelde dat de intrekking tot faillissement zou leiden en dat er een spoedeisend belang was, onder meer omdat 18.700 stoeltjes niet op de markt gebracht konden worden en een afnemer het contract dreigde te ontbinden. Verweerder betoogde dat het belang van verkeersveiligheid zwaarder weegt en dat het verzoek om voorlopige voorziening te laat was ingediend.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de intrekking onrechtmatig is of dat het spoedeisend belang aanwezig was. De stoeltjes waren geproduceerd onder een andere typeaanduiding dan waarvoor goedkeuring was afgegeven, waardoor de veiligheid niet gegarandeerd kon worden. Het belang van verkeersveiligheid weegt zwaarder dan het commerciële belang van verzoekster.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.