ECLI:NL:RBDHA:2022:1777
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlening aansluitende zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
De rechtbank Den Haag behandelde op 15 februari 2022 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, geboren in 1974. Betrokkene lijdt aan een psychische stoornis met ernstige psychische en maatschappelijke gevolgen en is in het verleden zorgmijdend geweest.
Tijdens de zitting bracht betrokkene naar voren dat hij zich verzet tegen bepaalde vormen van verplichte zorg, met name het toedienen van depotmedicatie vanwege bijwerkingen, maar hij is bereid vrijwillig medicatie te gebruiken. De rechtbank volgde dit standpunt en besloot het toedienen van medicatie niet als verplichte zorg op te nemen. Wel achtte de rechtbank andere vormen van verplichte zorg noodzakelijk, zoals medische controles, beperkingen in de vrijheid, onderzoek van kleding en woonruimte, en opname in een accommodatie indien de toestand verslechtert.
De rechtbank concludeerde dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn en dat de voorgestelde verplichte zorg evenredig en effectief is. De machtiging wordt verleend tot en met 15 februari 2023. Het verzoek tot meer of andere vormen van zorg werd afgewezen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: De rechtbank verleent een aansluitende zorgmachtiging voor verplichte zorg, met uitzondering van het opleggen van medicatie als verplichte maatregel.