ECLI:NL:RBDHA:2022:1813
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen intrekking verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij echtgenote
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende man, kreeg in 2017 een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij zijn echtgenote. Deze vergunning werd met terugwerkende kracht ingetrokken per 12 december 2019 omdat hij niet langer samenwoonde met zijn echtgenote en daarmee niet voldeed aan de voorwaarden. Verweerder handhaafde dit besluit in bezwaar, waarna eiser beroep instelde.
Eiser stelde rechten te ontlenen aan het Turks associatierecht, omdat hij getrouwd was met een Turkse werknemer en langer dan drie jaar gehuwd was. Tevens voerde hij aan dat hij als zelfstandige werkte en dat het vertrek uit Nederland in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro vanwege zijn Nederlandse kind. De rechtbank oordeelde dat eiser geen werknemer of gezinslid van een Turkse werknemer was, omdat hij niet meer samenwoonde met zijn echtgenote en het huwelijk feitelijk was verbroken. Ook ontbrak het aan bewijs van daadwerkelijke arbeid.
Verder stelde de rechtbank vast dat verweerder de hoorplicht niet had geschonden, omdat eiser voldoende gelegenheid had gekregen om zijn stellingen te onderbouwen maar dit niet had gedaan. Het ouderschapsplan werd pas na het bestreden besluit overgelegd en er ontbrak bewijs van daadwerkelijke uitvoering. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat eiser een verblijfsrecht ontleent aan zijn gezinsleven met het kind.
Omdat geen van de beroepsgronden slaagde, verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij de proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.