ECLI:NL:RBDHA:2022:1841
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na afwijzing verblijfsvergunning
Verzoekster, met de Nigeriaanse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is bij besluit van 16 december 2021 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 3 februari 2022 behandeld. Verzoekster en haar gemachtigde zijn niet verschenen, terwijl de gemachtigde van verweerder wel aanwezig was. Gezien de uitspraak op het hoofdberoep in een verwante zaak (zaaknummer NL21.19965) is een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep in een gerelateerde zaak is behandeld en verzoekster niet is verschenen.