ECLI:NL:RBDHA:2022:1952

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2022
Publicatiedatum
10 maart 2022
Zaaknummer
NL21.16627
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C. van Boven - Hartogh
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 8 EVRMVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardig relaas over bedreiging en mensenhandel

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, verzocht om asiel met het verhaal dat hij bedreigd werd door zijn oom en betrokken was bij mensenhandel. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van de verklaring over de problemen met de oom.

Eiser stelde dat hij bewijs had overgelegd, waaronder een brief van zijn zus en een foto na ontvoering, en dat hij slachtoffer was van mensensmokkel. De rechtbank oordeelde echter dat de documenten onvoldoende onderbouwing boden en dat de verklaringen vaag waren. Ook de bedreiging via een bericht op zijn telefoon was onvoldoende geverifieerd.

De rechtbank vond dat de problemen met de oom en de mensenhandel niet los van elkaar stonden en dat het vertrek uit Nigeria voortkwam uit de valse beschuldiging van diefstal door de oom. Er was geen overtuigend bewijs dat eiser bescherming nodig had van de Nigeriaanse autoriteiten.

Ook de medische klachten van eiser werden niet voldoende gerelateerd aan zijn situatie in Nigeria. Tenslotte was onvoldoende aangetoond dat eiser een privéleven in Nederland had opgebouwd dat een verblijfsvergunning zou rechtvaardigen.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de asielaanvraag afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en verklaart de asielaanvraag ongegrond wegens ongeloofwaardig relaas.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.16627

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Coenen).

ProcesverloopBij besluit van 24 september 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geb. datum] 1989 en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten. Op 17 juli 2018 heeft eiser voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland. Bij besluit van 14 november 2018 heeft verweerder deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Italië daarvoor verantwoordelijk is. Dit besluit staat in rechte vast. [1] Op 15 januari 2019 is eiser in het bezit gesteld van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ in verband met een aangifte van mensenhandel. Per brief van 15 januari 2019 is meegedeeld dat eiser in beginsel zal worden opgenomen in de nationale procedure.
2. Op 30 januari 2019 heeft eiser de onderhavige asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij het volgende ten grondslag gelegd. In 2008 is eiser bij zijn oudere neef, die eiser zijn oom noemt, gaan wonen en werken. Na vijf jaar zou eisers oom hem helpen met het opzetten van een eigen zaak. In 2013 werd eiser door zijn oom beschuldigd van het stelen van 800.000 Naira (de Nigeriaanse munt) uit een lade. De oom dreigde eiser te vermoorden, waarna eiser is vertrokken naar [plaatsnaam]. In 2015 werd eiser tijdens zijn werk ontvoerd en bedreigd door mannen die ingehuurd waren door eisers oom om eiser te doden. Eisers overbuurman [Naam 2] smeekte hen om eiser vrij te laten. Eiser kreeg vervolgens van de mannen twee weken om het gestolen geld terug te betalen en werd vrijgelaten. De broer van [Naam 2], [Naam 3], is een smokkelaar en heeft eiser geholpen uit Nigeria te vluchten via Libië, Italië en Duitsland. Bij terugkeer naar Nigeria vreest eiser voor zijn oom en de mannen die door zijn oom zijn ingeschakeld. Ook vreest eiser voor [Naam 2] en [Naam 3], omdat eiser [Naam 3] niet heeft afbetaald voor de overtocht naar Europa.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw. [2] De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser acht verweerder geloofwaardig. De problemen met de oom naar aanleiding van een valse beschuldiging van diefstal acht verweerder echter niet geloofwaardig. Eiser heeft dit element niet onderbouwd met documenten en zijn verklaringen hierover zijn vaag en summier.
4. Eiser voert tegen het bestreden besluit het volgende aan. Eiser heeft wel degelijk documenten overgelegd die zijn relaas onderbouwen, namelijk een brief van zijn zus waarin wordt bevestigd dat eisers oom hem wil vermoorden en een foto van hemzelf na de ontvoering. Eiser heeft voldoende verklaard over de problemen met zijn oom. Daarnaast is eiser het slachtoffer geworden van mensensmokkel. Reeds bij de zienswijze heeft eiser een transcriptie van een bedreigend bericht overgelegd dat hij op 2 september 2021 heeft ontvangen op zijn telefoon. In verband met deze bedreiging heeft eiser zich ook gewend tot de Nederlandse politie. De verklaringen van eiser over de mensenhandel komen overeen met de informatie uit het algemeen ambtsbericht inzake Nigeria van maart 2021. De Nigeriaanse autoriteiten bieden slachtoffers van mensenhandel geen effectieve bescherming. Eiser beschikt ook niet over een sociaal netwerk om op terug te vallen bij terugkeer naar Nigeria. Hij verzoekt om verlening van een verblijfsvergunning asiel dan wel regulier vanwege het hier in Nederland opgebouwde privéleven. Tot slot wijst eiser erop dat hij onder behandeling staat bij GZA [3] vanwege psychische klachten die gerelateerd zijn aan traumatische ervaringen in Nigeria.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De rechtbank volgt eiser niet in de ter zitting aangevoerde stelling dat de problemen met de mensenhandelaar niet samenhangen met de problemen met de oom, maar dat deze problemen als losstaande problemen moeten worden bezien. Daarbij is van belang dat dit voor het eerst ter zitting is aangevoerd. Daarnaast volgt dit ook niet uit het relaas van eiser, nu uit zijn verklaringen juist volgt dat het vertrek uit Nigeria met de mensenhandelaar het gevolg is van de valse beschuldiging van diefstal door zijn oom.
6. De problemen met de oom zijn niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Hiertoe is het volgende redengevend.
7. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat de door eiser overgelegde documenten zijn relaas over de problemen met zijn oom niet ondersteunen. Ten aanzien van de brief van eisers zus heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat de brief daadwerkelijk is geschreven door eisers zus, omdat de kopie van de identiteitskaart die naast de brief is gelegd niet leesbaar is. Daarnaast heeft verweerder in het geval dat de brief wel is geschreven door eisers zus daaraan niet de waarde hoeven hechten die eiser daaraan wenst te hechten, omdat de brief is opgesteld op verzoek van eiser en deze niet afkomstig is van een objectieve bron. Ten aanzien van de door eiser overgelegde foto heeft verweerder terecht overwogen dat op deze foto geen indicaties te zien zijn die doen concluderen dat eiser mishandeld of ontvoerd is door huurmoordenaars. Anders dan eiser stelt, is op deze foto namelijk niet te zien dat eiser zich in een gedwongen positie bevond of dat hij verwond was.
8. De verklaringen van eiser over de problemen met zijn oom heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende geacht. Met de enkele stelling van eiser in beroep dat hij wel voldoende heeft verklaard over de problemen met zijn oom, heeft hij niet concreet gemaakt waarom de tegenwerpingen uit het bestreden besluit niet juist zouden zijn.
9. Verder heeft verweerder niet ten onrechte onaannemelijk geacht dat eiser bij terugkeer naar Nigeria te vrezen heeft voor mensenhandelaars, nu de verklaringen hierover samenhangen met de verklaringen over de problemen met de oom. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt op welke manier het bedreigende bericht hem heeft bereikt. Niet ten onrechte is tegengeworpen dat eiser slechts een transcriptie van het bedreigende bericht heeft overgelegd en geen
screenshot, zodat de herkomst van het bericht niet kan worden geverifieerd. De stelling dat de verklaringen van eiser over mensenhandel overeenstemmen met informatie uit het algemeen ambtsbericht inzake Nigeria leidt niet tot een andere conclusie, omdat daarmee de tegenwerpingen over de verklaringen van eiser niet worden weggenomen. Verweerder heeft dan ook terecht niet aangenomen dat eiser bescherming van de Nigeriaanse autoriteiten nodig zal hebben voor deze problemen.
10. De mededeling dat eiser wordt behandeld door GZA en de ter zitting genoemde recepten voor medicatie maakt het bovenstaande niet anders. Niet is gebleken dat de medische problemen van eiser gerelateerd zijn aan de problemen in het land van herkomst.
11 Tot slot heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Eiser heeft zijn stelling dat hij privéleven heeft in Nederland niet nader toegelicht. Verweerder heeft in het voornemen daarom terecht overwogen dat niet is gebleken hoe de binding met Nederland zich afzet tegenover de binding met Nigeria en dat eiser dan ook niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. [4] Hier is in de zienswijze niets tegen aangevoerd zodat in het bestreden besluit kon worden volstaan met een verwijzing naar het voornemen.
12. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven - Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr.W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 december 2018, NL18.21682, en uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 januari 2019, 201810391/1/V3.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Gezondheidszorg Asielzoekers.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele rechten.