ECLI:NL:RBDHA:2022:204
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een Iraakse asielzoeker, diende op 29 juli 2021 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland reeds verantwoordelijk was voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat overdracht aan Duitsland een onevenredige hardheid zou zijn vanwege de langdurige verblijfduur in Duitsland zonder inhoudelijke behandeling en de erbarmelijke omstandigheden van zijn gezin in Irak.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft besloten de asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Duitsland heeft het verzoek tot terugname geaccepteerd en de Nederlandse autoriteiten mogen aannemen dat Duitsland zijn verplichtingen nakomt. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die overdracht zouden verhinderen. Ook de aanwezigheid van familieleden in Nederland vormt geen reden om af te wijken van de Dublinverordening.
De rechtbank verwierp het beroep van eiser en concludeerde dat het evenredigheidsbeginsel niet is geschonden. De situatie van eiser verschilt wezenlijk van een eerdere zaak waarin sprake was van een motiveringsgebrek. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.