Eiser, een Syrische nationaliteit dragende vreemdeling, werd op 21 januari 2022 onderworpen aan een maatregel van vreemdelingenbewaring. Hij stelde beroep in tegen de voortzetting van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had het onderzoek naar de rechtmatigheid van de bewaring eerder getoetst en sloot het onderzoek in deze zaak op 2 maart 2022, waarbij een zitting achterwege bleef.
De rechtbank constateerde dat het vooronderzoek op grond van de Vreemdelingenwet uiterlijk op 1 maart 2022 gesloten had moeten zijn, maar dit pas op 2 maart 2022 gebeurde, wat een termijnoverschrijding betekent. Dit leidde tot het oordeel dat de voortzetting van de bewaring vanaf 2 maart 2022 onrechtmatig was. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de verwijdering van eiser, aangezien sinds 2 februari 2022 slechts één uitzettingshandeling had plaatsgevonden.
De rechtbank vond echter geen aanleiding om te oordelen dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering bestond. De maatregel van bewaring werd daarom met ingang van 3 februari 2022 onrechtmatig verklaard en opgeheven. Tevens werd aan eiser een schadevergoeding van € 2.900 toegekend wegens 29 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en verblijf in het detentiecentrum. De Staat werd veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en de proceskosten van € 759 aan de rechtsbijstandverlener.