ECLI:NL:RBDHA:2022:208
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning familie- of gezinslid
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen voor het verblijfsdoel 'verblijf als familie- of gezinslid'. Dit bezwaar is door verweerder bij besluit van 24 september 2021 kennelijk ongegrond verklaard. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening buiten zitting behandeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. In een gelijktijdige uitspraak in een vergelijkbare zaak (nummer NL21.16284) werd het beroep ongegrond verklaard. Op basis daarvan is het verzoek om voorlopige voorziening in deze zaak als kennelijk ongegrond afgewezen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter K.M. de Jager en griffier A.S. Hamans en is geanonimiseerd gepubliceerd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het kennelijk ongegrond is.