Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Letse nationaliteit, werd op 25 februari 2022 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat tijdens het gehoor voor inbewaringstelling onvoldoende kenbaar was gemaakt dat een belangenafweging had plaatsgevonden. De rechtbank oordeelde dat uit de motivering blijkt dat de belangenafweging wel degelijk is gemaakt, waarbij rekening is gehouden met het feit dat eiser bij zijn vrouw en kind in Nederland wil blijven.
Eiser voerde verder aan dat er geen toestemming van het Openbaar Ministerie (OM) was voor zijn uitzetting, wat volgens hem noodzakelijk is. De rechtbank stelde vast dat verweerder op 7 maart 2022, vlak voor de zitting, toestemming van het OM had verkregen, en dat er geen schending van de informatieplicht was.
Daarnaast stelde eiser dat verweerder zijn inspanningsverplichting niet had nageleefd om de uitzetting voor te bereiden tijdens zijn voorlopige hechtenis. De rechtbank oordeelde dat vanwege de onduidelijkheid over de vrijlatingsdatum van eiser geen inspanningsverplichting bestond en dat verweerder deze niet had geschonden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen één week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.